zaterdag 8 juli 2006

De liturgische hervorming van Vaticanum II is nooit van de grond gekomen

Interview met Malcolm Ranjith, secretaris van de congregatie voor de eredienst.

Q: De indruk wordt gewekt dat de liturgie voor Benedictus XVI een grote prioriteit heeft.

A: Dat klopt. Wanneer wij terug kijken op ontwikkeling van de liturgie gedurende de afgelopen jaren, zien wij hoe belangrijk het luisteren naar God en het in aanraking komen met het trancendente is. De Kerk is zich altijd bewust geweest dat haar liturgisch leven naar God gericht moet zijn, en een diepe mystieke atmosfeer met zich mee moet brengen. Nu, sinds een aantal jaren is het de tendens geweest om dit te vergeten, en daarvoor in de plaats te stellen de geest van algehele vrijheid, die alles open laat voor een ongefundeerde en oppervlakkige creativiteit.

V: Is de liturgie een onderwerp van controverse, van debat binnen de kerk geworden, ja zelf een factor van serieuze verdeeldheid?

A: Ik denk dat dit een puur Westers fenomeen is. Secularisate heeft in het Westen geleid tot een diepe kloof tussen hen die zijn gevlucht in mysticisme, en het leven vergeten, en hen die de liturgie trivialiseren, haar beroven van haar rol als bemiddelaar van het trancendente. In Azie – bijvoorbeeld in Sri Lanka, mijn eigen land – is iedereen, onafhankelijk welke godsdienst zij aanhangen, zich er terdege van bewust dat de mens aangetrokken moet worden door het transcendente. En dit behoort ook te worden weerspiegeld in het leven van alledag. Ik denk niet dat het gevoel voor het goddelijke moet worden verlaagd tot het menselijke niveau, maar dat de mens behoort te worden verhoogd naar het bovennatuurlijke niveau, waar hij tot het goddelijke mysterie kan naderen. Nu, de verleiding om het goddelijke mysterie de les te lezen, om haar onder controle te krijgen, is sterk in een maatschappij die de mens vergoddelijkt, zoals de Westerse maatschappij doet. Geloof is een gave: liturgie wordt niet bepaald door de mens, maar door dat wat God doet ontstaan. Het veronderstelt een houding van aanbidding van God de schepper.

Q: Denkt u dat de conciliaire hervorming te ver ging?

A: Het is niet een vraag van anti-conciliar of na-conciliar, conservatief of progressief zijn! Ik denk dat de liturgische herovmring van Vaticanum II zelfs nooit van de grond is gekomen. Bovendien begon deze liturgische hervorming niet met Vaticanum II: in werkelijk gaat zij het Concilie vooraf, is zijn ontstaan in de Liturgische Beweging aan het begin van de 20ste eeuw. Als men zich houdt aan dat wat het Tweede Vaticaan Concilie in de constitutie Sacrosanctum Concilium zegt, gaat het er om de liturgie tot de toegangsweg tot het geloof, en de veranderingen werden verondersteld op een orgnaische manier voort te komen, steeds kijkend naar de traditie en niet en niet lukraak. Er zijn veel tendensen geweest die hebben de autenthieke betekenis van de liturgie uit het oog hebben verloren. Men zou kunnen zeggen dat de richting van het liturgische gebed in de postconciliare hervorming niet altijd de reflectie van de documenten van Vaticanum II is geweest, en in deze zin, zou men kunnen spreken van een noodzakelijk correctie, een hervorming van de hervorming. De liturgie moet weer teruggewonnen worden, in de geest van het Concilie.

Q: Door welke concrete maatregelen?

A: Vandaag de dag, centreren de problemen van de liturgie zich rond de taal (volkstaal of latijn) en de positie van depriester, of hij gericht is op de gemeente of op God. Ik zal u hier verrassen: nergens in het conciliaire decreet wordt er gezegd dat de priest gericht moet zijn op de gemeente, evenmin dat het gebruik van het Latijn verboden is! Wanneer het gebruik van de volkstaal wordt toegestaan, met name in de liturgie van het Woord, is het decreet erg duidelijk dat in de Latijnse ritus het gebruik van de Latijnse taal behouden moet blijven. We wachten op de paus om richtlijnen te geven aangaande deze onderwerpen.

V: En voor hen die volgden, met een groot gevoel voor gehoorzaamheid, de na-concilaire hervormingen – moet hen worden verteld dat zij het fout hadden?

A. Nee, dit behoort geen ideologisch probleem te worden. Mij is opgevallen hoe veel jonge priester hier [Frankrijk] graag de Tridentijnse ritus celebreren. Het moet verduidelijk worden dat deze ritus, volgens het missal van Pius V, niet verboden is. Moet haar gebruik zelf meer worden bevorderd? Dat is aan de paus om te beslissen. Maar het is zeker dat een nieuwe generatie op zoek is naar een grotere gerichtheid op het mysterie. Dit is niet een vraag van vorm, maar van substantie. Om van liturgie te spreken, wat noodzakelijk is, is niet een wetenschappelijke of histisch-theologische geest alleen, maar bovenal een houding van meditatie, gebed en stilte. Eens temeer, dit is niet een vraag van het zijn van progressief of conservatief, maar eenvoudig van het toestaan van de mens om te bidden, te luisteren naar de stem van God. Wat gebeurd in de viering van de Glorie van God is niet een louter menselijke realiteit. Wanneer men dit mystieke aspect vergeet, alles raakt door elkaar en verward. Wanneer de liturgie haar mystieke en hemelse dimensie verliest, wie blijft er dan over om de mens te helpen zichzelf te bevrijden van het egoïsme en de eigenwaan? De liturgie moet boven alles een weg naar de vrijheid zijn, voor de mens een deur naar het oneindige.

Vertaald uit het Engels. Bron: http://thenewliturgicalmovement.blogspot.com

donderdag 6 juli 2006

Tu es Petrus...

...Et super hanc petram

aedificabo

Ecclesiam meam.

Pater Laurent Demets FSSP

“Wie is de Mensenzoon?” Toen Jezus deze vraag stelde was dit niet de eerste keer dat hij de uitdrukking “Mensenzoon” gebruikte. Desondanks riep hij bij velen vragen op. Sommigen dachten dat de Mensenzoon Johannes de Doper was; anderen dat Hij Elias was, en nog anderen dat Hij Jeremiah of een van de andere profeten was. Niemand onder hen beleed dat Hij de Messias, de Zoon van God, was. Veel Joden zagen in Jezus een buitengewoon mens, maar zij beleden zijn goddelijkheid niet.

Deze fout is vandaag de dag nog steeds relevant. De meerderheid van de mensen geloven in Jezus, of ten minste in een bepaalde Jezus, maar velen van hen geloven niet dat Hij God is. Hun geloof zou best wel een weg naar het Geloof kunnen zijn, maar het is het Geloof nog niet en als zodanig is zij nutteloos voor het eeuwige leven. Voor sommigen is Jezus een groot mens, misschien wel de grootste mens uit de geschiedenis. Voor anderen was hij alleen maar een avatar van het goddelijke, net zoals bijvoorbeeld Buddha of Krishna. Maar Hij was niet de Zoon van God die in de wereld is gekomen om ons te verlossen. Zij herkennen deze waarheid niet als noodzakelijk voor hun verlossing.

”Maar wie zegt gij dat ik ben?” Welnu, dit is de vraag die aan jou wordt gesteld. Realiseer je goed, de priester stelde deze vraag eens aan jou; op de dag van je doopsel. “Gelooft gij in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, Onze Heer, die in deze wereld is geboren en die heeft geleden?” Geloof jij dat Jezus Christus de Zoon van God is, God Zelf en jouw enige Verlosser? Het antwoord is ja of nee. Hetzij je gelooft dit, of je gelooft dit niet, en het feit dat je gelooft of niet zal je gehele leven en vooral je eeuwigheid bepalen. De woorden van Jezus zijn duidelijk en definitief: “Hij die geloofd en gedoopt is, zal worden gered: maar hij die niet geloofd zal verloren gaan.”

Deze woorden schijnen hard aan te komen, vooral vandaag in een wereld van relativisme die, in naam van de rede, niets wil weten van het begrip waarheid, zelfs al is de waarheid precies het onderwerp van de rede. Eens heeft Jezus gevraagd om een oefening van Geloof in de Eucharistie. Hij zei: “Want mijn vlees is waarlijk spijs: en mijn bloed is waarlijk drank. Hij die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem”. Maar de rede, in opstand gekomen tegen dat wat zij niet kan begrijpen, riep uit: “Deze rede is hard, wie kan dezelfe horen?” Toen richtte Onze Lieve Heer zich naar de twaalf, en verwachte van hen het juiste geloofsantwoord. Deze kwam uit de mond van Simon-Petrus: “Heer naar wie zullen wij gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en hebben geweten, dat gij zijt de Christus, de Zoon van God.” Dit was de geloofsbelijdenis van Capharnaum.

Vandaag stelt Jezus een andere vraag. “Maar wie zegt gij dat ik ben?” En opnieuw komt het antwoord van Simon-Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Dit is de geloofsbelijdenis van Caesarea.

Petrus weet dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Deze kennis komt van God, niet van vlees en bloed. De rede kan niet zelfstandig tot deze waarheid komen. Wij kunnen de goddelijkheid van Jezus Christus alleen door het geloof belijden! “Gezegend zijt gij, Simon Bar-Jona: want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is!” Gezegend hij die dit gelooft! Gezegend hij die het Geloof heeft!

Direct na deze geloofsbelijdenis stelde Onze Lieve Heer Simon aan als de rots waarop Hij Zijn kerk zou bouwen. Simon werd Petrus, dat in het Hebreeuws – Kephas – rots betekend en Christus beloofd hem de sleutels van het hemelse koninkrijk met de macht te binden en te ontbinden. In andere woorden, en dit is niet moeilijk te begrijpen, Petrus werd aangesteld als leider en hoofd van de Kerk. Zijn taak is hoofdzakelijk en essentieel een pastorale taak, dat betekent Petrus moet zijn kudde beschermen en verdedigen en haar leiden naar de eeuwige weiden. Het woord “pastoraal” is in de afgelopen decennia te vaak gebruikt ten koste van het woord “dogmatisch”. Dit is onzin want ‘pastoraal’ en ‘dogmatisch’ zijn geen tegengestelden, zij sluiten elkaar niet uit, integendeel: ze veronderstellen elkaar. Petrus, die de universele herder van de kudde is, is ook de behouder en verdediger van het Geloof, want zonder Geloof gaat de kudde verloren. Dogma’s zijn niets anders dan Geloof uitgedrukt in menselijke woorden en een poging om, voor zover wij dat kunnen, het geheim van God te begrijpen.

“Weid mijne schapen!” De schapen van Jezus Christus hebben substantieel voedsel en melk van een goede doctrine nodig. Deze worden ons gegeven door de Kerk, door de Sacramenten en haar onderwijzing. Petrus is het hoofd van de Kerk. Als zodanig moeten de Sacramenten in eenheid met hem worden voltrokken en gecelebreerd; en hij staat borg voor het leergezag.

Laat ons bidden tot Sint Petrus, hoofd van de Apostelen, en voor zijn opvolger, Paus Benedictus XVI. Laat ons deze week bidden voor ons Generaal Kapittel, en ook voor het Generaal Kapittel van het Broederschap van Sint Pius X.

Moge onze Moeder, Koningin van de Apostelen, Petrus helpen bij zijn taak, voor de hoogste glorie van God en het welzijn van alle gelovigen… opdat er moge zijn één kudde en één herder.

Vertaald uit het Engels. Bron: http://defidecatholica.blogspot.com/2006/07/tu-es-petrus.html

vrijdag 2 juni 2006

Voorstellen voor een hervorming van de Liturgie

Corrigeren voordat het te laat is Inleiding Kardinaal Ratzingers nieuwe werk: “De Geest van de Liturgie, Een inleiding” schetst de structuur van een “hervorming van de liturgiehervorming” (die van na het Concilie), waarvan de elementen zorgvuldig en diepgaand op basis van Schrift, traditie en kerkgeschiedenis verantwoord worden. Zoals tevoren al in een voorafgaand werk: “eilanden scheppen”, worden hier aan de priester verbeteringen aangereikt die hij nu zelf al kan aanbrengen. Natuurlijk mag de “hervorming van de hervorming” geen aanleiding zijn, de overgeleverde ritus af te schaffen. Deze is in zijn onveranderlijke vorm, zoals het boek laat zien, veeleer een noodzakelijke blijvende bron van oriëntatie en inspiratie. 1. Een spoedige hervorming is nodig Anders dreigt een definitief verlies. De Kardinaal vergelijkt de liturgie met een fresco, dat door Vaticanum II vrijgelegd werd en “een ogenblik lang” zijn fascinerende schoonheid openbaarde. Maar intussen is het door klimatologische factoren aangetast en dreigt verwoest te worden, wanneer niet snel het nodige gedaan wordt om aan schadelijke werkingen een halt toe te roepen. Natuurlijk mag het niet opnieuw overgeschilderd worden, maar een nieuwe eerbied in de omgang daarmee is toch geboden, opdat de herontdekking niet tot het begin wordt van een definitief verlies (blz. 8). 2. Celebreren versus populum Het door de priester celebreren met het gezicht naar het volk toe is een onhistorische nieuwigheid. De Heilige Mis is geen maal. Maar zelfs in het andere geval “zou in de christelijke oudheid nooit de idee opgekomen zijn, dat de voorzitter van een maal zijn plaats zou innemen tegenover de gasten. Het gemeenschapskarakter van een maal werd juist door het tegenovergestelde tot uitdrukking gebracht, namelijk doordat alle deelnemers zich aan dezelfde zijde van de tafel bevonden.” Daarom moet beklemtoond worden, dat de Eucharistie van de Christenen geenszins dekt met het begrip ‘maaltijd’. Wnat de Heer heeft het nieuwe van de christelijke eredienst weliswaar in het kader van het joodse (Paas-)maal gesticht, maar alleen voor het nieuwe en niet voor het maal geldt zijn gebod: “Doet dit ter gedachtenis aan Mij!” (blz. 68). 3. Tegen na-conciliaire ‘verclericalisering’ “In werkelijkheid is met de zich na het Concilie doorzettende idee van de H. Mis als een ‘maal’ een ‘verclericalisering’ opgetreden die vroeger nooit bestaan heeft. Daarmee werd de preister, voortdurend naar het volk toegekeerd, in feite tot het eigenlijke middelpunt van heel de dienst, tot een ‘voorganger’ zoals men hem tegenwoordig graag noemt. Alles komt op hem aan, naar hem wordt gekeken … en het is vaak zijn ‘creativiteit’ die alles beheerst. Het is begrijpelijk dat men deze nieuwe rol die men hem toegespeeld had, later ook weer heft geprobeerd terug te dringen en wel doordat men allerlei rollen onder meerderen verdeelt en de vormgeving ervan aan ‘creatieve’ groepen toevertrouwt, die vooral zichzelf op de voorgrond dringen en hun rol in het geheel willen spelen. Steeds minder staat God in het midden.” (blz. 69v.) 4. Het kruis hoort in het blikpunt “Het kruis hoort in het midden van het altaar te staan als het gemeenschappelijke blikpunt voor priester en biddende geloofsgemeenschap. Tot de werkelijk absurde vernieuwingen van de laatste decennia tl ik het feit, dat men het kruis aan de zijkant plaatst om de blik vrij te geven op de priester. Stoort het kruis soms bij de Eucharistie? Is de preister belangrijker dan de Heer? Deze vergissing zou men zo gauw mogelijk moeten corrigeren. Daarvoor zijn geen verbouwingen nodig” (blz. 73). 5. Kerk zonder tabernakel dood Tot de Communie hoort de eucharistische aanbidding. “Transsubstantiatie – wezensverandering van brood en wijn in Lichaam en Bloed van Christus –, aanbidding van de Heer in het Heilig Sacrament, eucharistische cultus met monstrans en processie, dat alles, zo wordt beweerd, zijn middeleeuwse dwalingen, waarvan men eens en voor altijd afscheid moet nemen. De eucharistische Gaven zijn om te eten, niet om naar te kijken. Maar de Eucharistie eten is een geestelijk gebeuren, waarmee het gaat om de hele mens, lichaam en ziel. Het eten betekent Hem aanbidden. Hem eten betekent Hem in zich opnemen, zodat ons ik in Hem veranderd word … Daarom staat de aanbidding niet tegenover de Communie, ook niet daarnaast, maar de Communie bereikt haar eigenlijke diepte pas, wanneer zij gedragen en omgeven is door de aanbidding … Een kerk zonder Eucharistische Tegenwoordigheid is eigenlijk dood, ook wanneer zij uitnodigt tot gebed. Maar een kerk, waar voor het tabernakel de godslamp brandt, leeft altijd, is altijd meer dan een stenen gebouw … Opdat de tegenwoordigheid van de Heer ons concreter beroert, moet het tabernakel ook architectonisch zijn passende plaats hebben.” (blz. 74 vv.) 6. De beeldenstorm is loochening van de Menswording “De oudere Concilies zien in de iconen een belijdenis van de Menswording … en de beeldenstorm (ook ‘iconoclasme’ genoemd) werd daarom terecht beschouwd als een loochening van de Menswording, als een samenvatting van alle ketterijen” (blz. 105). “De beeldenstorm die op allerlei plaatsen na het Concilie gewoed heeft, werd verdedigd als verlangd door hetzelfde Concilie. Weliswaar is daardoor veel kitsch en veel onwaardige kunst verdwenen, maar het gevolg was een grote leegte, waarvan wij de armzaligheid intussen duidelijk te voelen hebben gekregen.” (blz. 112). 7. Dansen hoort niet thuis in de liturgie “De dans is geen uitdrukkingsvorm van christelijke liturgie. Gnostisch-doketische kringen hebben geprobeerd hem in de liturgie in te voeren. Voor deze was de kruisiging alleen maar schijn … Het is dwaas, wanner bij de poging de liturgie ‘attractief’ te maken, pantomimische dansen uitgevoerd worden, eventueel nog door professionele dansgroepen, die dan vaak door het volk met applaus beloond worden. Overal waar in de liturgie bijval betuigd wordt voor het optreden van personen en groepen is dit een duidelijk teken, dat men het wezen van de liturgie geheel uit het oog verloren heeft en dit vervangen heeft met een soort als religieus bedoeld vermaak. Een dergelijk streven naar attractiviteit duurt niet lang. Men kan op die manier niet concurreren met hetgeen de vrije markt aan show en cabaret aanbiedt, vooral niet als daarin ook nog religieuze thema’s en muziek uit sensatielust of als spot verwerkt en misbruikt worden” (blz. 170). 8. Het knielen bij de Heilige Mis Het knielen is naar het voorbeeld van de Heer de juiste houding om binnen te treden in het Kruisoffer. De Evangelies laten zien hoe vaak de Heer geknield heeft. Matt. 22, 39. Mark. 14, 35 en Luk. 22, 41 spreken ons eensgezind van het neervallen op de knieën of het geknield bidden van de Heer op de Witte Donderdag. “Dit gebed aan het begin van de passie des Heren is naar vorm en inhoud voorbeeldig.” (blz. 160). Het is daarom ook consequent de tegenwoordigstelling van het Kruisoffer in de Heilige Mis naar het voorbeeld van Christus met het neerknielen bij de voetgebeden te beginnen. 9. Offergang behoeft correctie “Het bijna theatraal optreden van onderscheiden ‘acteurs’ bij het bereiden van de offergaven en de offergang, zoals men dat tegenwoordig niet zelden beleeft, is zoveel als een parodie (een bespotting) van het eigenlijke. Wanneer men hier de afzonderlijke, overigens weinig talrijke voorgeschreven handelingen tot het wezenlijke van de liturgie maakt en dit ontaardt in drukdoenerij, wordt het eigenlijke van het ‘theo-drame’ – de Heilige Mis als een heilig en ernstig schouwspel voor God en volk – in het tegendeel verkeerd”W (blz 150). Dan is hier ‘mensendienst’, geen ‘godsdienst’. Over of het zitten van het volk daarbij gepast is kan men van mening verschillen. Het is in de laatste decennia wel ingevoerd vanuit een verkeerde opvatting van de offergang, waaraan men het sacrale karakter wilde ontnemen, om daarin nog slecht een puur pragmatische handeling te zien (blz. 168 v.). 10. Het knielen bij de Consecratie Het knielen bij de Consecratie is absoluut noodzakelijk. Een liturgie waarbij niet meer geknield wordt is zwaar ziek. De Heilige Schrift geeft tal van voorbeelden van mensen die voor Christus knielen. “Daarom mag het buigen van de knieën voor de Tegenwoordigheid van de levende God geenszins opgegeven worden.” Het niet meer kunnen knielen heeft iets diabolisch aan zich. Het mag zijn dat de moderne cultuur vervreemd is van het knielen, omdat het geloof bij velen verloren is gegaan en men Degene niet meer kent voor Wie het knielen de juist, van binnenuit nodige, houding is. “Wie echter leert geloven, leert ook knielen, en een geloof of een liturgie die het knielen niet meer kent is in het meest wezenlijke ziek. Waar dit het geval is, moet men weer leren knielen.” (166 v.). “Degene die gelovig en biddend deelneemt aan de Eucharistie moet op het moment dat de Heer afdaalt en brood en wijn in zijn Lichaam en Bloed veranderd worden, ten diepste ontroerd zijn. Het kan helemaal niet anders, dan dat wij voor dit gebeuren op de knieën zinken en Hem aanbidden” (blz 182). 11. De stilte bij de canon “Tot ergernis van een aantal liturgisten heb ik in 1978 ooit gezegd, dat de canon niet helemaal luid gesproken hoeft te worden. Ik wil dit na hierover uitvoerig nagedacht te hebben hiermee nog een keer met nadruk zeggen, in de hoop, dat ik, twintig jaar later, voor deze stelling meer begrip te ontmoet. Intussen hebben Duitse liturgisten bij hun inspanningen om de liturgie te hervormingen, zelf uitdrukkelijk verklaard, dat voor hen uitgerekend het hoogtepunt van de liturgische viering, de canon, het eigenlijke probleem is geworden. Men heeft sinds de hervorming van de liturgie na het Concilie eerst geprobeerd daarvoor een remedie te vinden met het scheppen van voortdurend nieuwe eucharistische gebeden, maar is daarmee steeds meer in het banale afgezonken. Het opeenhopen van woorden kan ons niet helpen, dat is inmiddels maar al te duidelijk geworden. … Hert is helemaal niet waar, dat de volledige, ononderbroken luide voordracht van het eucharistische gebed onontbeerlijk is voor een echte deelname aan deze centrale act van de liturgie. Wie ooit een in gebed verenigde kerkgemeenschap beleefd heeft bij een in stilte gebeden canon, heeft ervaren, wat een werkelijk gevuld zwijgen is, dat tegelijk een luid en dringend tot God roepen is, een van Gods Geest vervuld gebed.” (blz. 184). 12. De vredesgroet als storing “Bij de tegenwoordige rite van de vredesgroet ontstaat vaak een grote onrust in de gemeente die niet zelfden langere tijd aanhoudt om dan plotseling onderbroeken te worden door de uitnodiging van de preister aan het volk, te zien naar het Lam Gods (de Hostie in zijn hand), dat de zonden van de wereld wegneemt.” (blz. 183). Het verdient daarom aanbeveling de vredesgroet, zover men daaraan vasthouden wil, te verleggen naar de ritus van de offergang (blz. 146). 13. De stille gebeden van de priester Bedoeld zijn hier de gebeden vóór het Evangelie alsook die voor en na de Communie. “Een andere, door de liturgie zelf aangeboden aanleiding tot een ‘gevulde stilte’ die de liturgie niet onderbreekt, maar daarvan deel uitmaakt, zijn de stille gebeden van de priester. Door een sociologisch-activistische manier van denken over de rol van de priester in de Eucharistie worden ze geminacht en zo mogelijk ook achterwege gelaten. Welnu, deze gebeden nodigen de priester uit tot een persoonlijke houding in de liturgie, om zijn dienst ook als een persoonlijk staan voor de Heer op te vatten en zichzelf de Heer aan te bieden. Het aantal van deze priestergebeden is bij de herovering van de liturgie sterk gereduceerd, maar God zij dank zijn er toch nog. Het gaat allereerst om een kort gebed van verdieping vóór de verkondiging van het Woord Gods. Dit moet door de priester werkelijk stil en aandachtig gebeden worden … Van de betekenis van de offergang, die in de nieuwe liturgie niet helemaal ujit de doeken komt, hebben wij boven al gesproken.” (blz. 182 v.). “Houdt dit niet in, dat ook de gebeden bij het offertorium door de priester stil gebeden zouden moeten worden? Aan de ontvangst van de Heilige Communie gaan twee zeer schonen en diep gebeden vooraf, die men, om de lange stilte te voorkomen, intussen alternatief kan bidden, het ene of het andere. Misschien zal men later weer normaal alle twee gebeden verrichten. Ook na de Communie zijn er twee stille dankgebeden voor de priester aangegeven, die de gelovigen ook privé kunnen meebidden, iets wat zeker zeer aan te bevelen is.” (blz. 183) (Overgenomen uit Katholiek Stemmer, jaargang 29, nr, II, mei/juni 2000, oorspronkelijk uit: Schweizerisch Kath Wochenzeitung, 17 maart 2000)

maandag 27 maart 2006

Oecumene en Tolerantie

Bij oecumenici gaat het vaak over respect, je moet respect hebben voor de ander en voor zijn geloof. Hierbij is het de ander proberen te overtuigen vaak een taboe. Echter wanneer iemand ervan overtuigd is dat een bepaalde waarheid cruciaal is voor mijn zielenheil, of in ieder geval mij beter instaat stelt om mijn zielenheil te redden, en hij zou mij hiervan niet willen overtuigen, uit een vorm van misplaatste tolerantie, misplaatst respect, dan zou ik daar zeer verbolgen over zijn. In wezen zie ik zoiets als een vorm van liefdeloosheid, of nog sterker een vorm van geestelijk sadisme. Nu zijn de meeste oecumenici niet zo, ze zijn er eenvoudig van overtuigd dat het niet uitmaakt, dat er geen wezenlijk verschil is. En hier wringt de schoen, met het woord respect in hun mond willen ze als het ware de ander dwingen deze mening ook aan te nemen. En de ander heeft geen weerwoord, want dat zou respectloos zijn, intolerant. En dat is nu het grote probleem dat ik met de oecumene heb.

zaterdag 28 januari 2006

BOEKBESPREKINGEN: Cornelia de Vogel, een markante bekeerlinge

Door het publiceren van haar boek 'Ecclesia Catholica' in 1946 werd de toen kersverse bekeerlinge Cornelia de Vogel plotseling een bekende katholiek. In dit boek heeft ze geprobeerd, zoals de ondertitel ons vertelt, een 'redelijke verantwoording van een persoonlijke keuze' te geven. Ze was zich echter er terdege van bewust, dat voor een bekering meer nodig is dan de redelijke verantwoording die zij gaf, namelijk dat zo'n bekering uit geloof moet komen, uit een persoonlijk geloof dat innerlijk moet rijpen . Zij wist immers zelf uit ervaring dat iedere bekering een sterk persoonlijke kant heeft. Deze meer persoonlijke redenen voor haar overgang naar de katholieke Kerk hield de erg op haar privacy gestelde professor echter, op een enkele kleine, sporadische hint na, voornamelijk voor zichzelf. Dit gat heeft Paul Luykx in het onlangs verschenen boek 'Cornelia de Vogel: leven en bekering' geprobeerd te dichten. Hierbij legt hij, om het met zijn eigen woorden te zeggen, meer de nadruk op 'levenservaring' en 'psychologische achtergronden' daar waar De Vogel in haar boek zelf meer de nadruk legt op 'studie' en het 'louter geestelijk proces'. De eerste drie hoofdstukken geven dan ook een boeiend verslag van de persoonlijke weg die De Vogel naar de Moederkerk aflegde.

Bekering

Uit het boek van Paul Luykx komt Cornelia de Vogel, naar voren als een pientere, hoog getalenteerde, doortastende, maar ook koppige vrouw, die niet van goedkope antwoorden hield. Kortom een typische professor. De in 1905 geboren Leeuwardse was een echte zoeker en principieel denker, die al op zeer jonge leeftijd met de Griekse wijsgeer Plato vertrouwd raakte. Haar zoektocht naar de waarheid, de hoogste waarheid, de Logos, deed haar in eerste instantie via de theosofie, die zij als te irrationeel te licht bevond, in 1927 bij het orthodox protestantisme uitkomen, haar feitelijke bekering, alwaar zij de Logos vond. Paul Luyxk weet deze zoektocht aan de hand van Vogels dagboek goed weer te geven. Een citaat uit dit dagboek van 6 februari 1924 over een ingrijpende ervaring gedurende een augustusnacht in het voorafgaande jaar, dat als het startpunt van een intensivering van Vogels zoektocht kan worden beschouwd, wil ik de lezers hier niet onthouden:

'Toen heb ik aanschouwd de Eeuwigheid - zeg niet dat het niet kan, ik heb het zelf ondervonden. Eén ogenblik heb ik diep mijzelf aanschouwd, door te versmelten in het Al. Niet met een vaag gevoelen - met klaar-helder bewustzijn voelde ik, zàg ik, door de zuivere werking van mijn geest mij al het stoffelijke ontzinken; zàg ik de openbaring van Plato's Ideeënleer, zàg ik de Waarheid zelf - of liever: bewùst was ik in haar. Nooit nog had ik werkelijk ingezien, dat deze wereld nìet bestaat; woorden slechts waren het voor mij. Maar nu - o zalig oogenblik - verstond ik het plotseling hoe "het niet-zijnde is": deze wereld, zij ìs niet, want zij is slechts een verschijningsvorm van de Ideeënwereld - en tòch, zij ìs, want zij ìs de Ideeënwereld, door onze menselijke constitutie in deze vorm vernomen. Ik zag de werkelijkheid van de geest, de onwerkelijkheid van den stof, het niet-zijnde. [...] Oneindige God, U had ik aanschouwd. Nooit, nooit meer kon ik U verliezen.'

Na haar bekering tot het protestantisme verhaalt Luykx van de persoonlijke weg die de Vogel naar de katholieke Kerk voerde. Een weg die inderdaad zeer persoonlijk is, en waarvan het ook niet te verwonderen is dat Cornelia die voor haar zelf wilde houden. Door een affaire, zij het van haar kant een min of meer platonisch, ziet Cornelia een huwelijk op de klippen lopen. Geschokt door de zondigheid van dit gebeuren en haar rol die zij daarin heeft gespeeld, gaat zij hevig twijfelen aan de orthodox protestantse leer dat iedere zonde gelijkwaardig is. Daarnaast leed de Vogel ernstig aan reuma, waardoor zij met haar neus op het menselijk lijden werd gedrukt, en zich vragen stelde naar het nut daarvan. Door deze levenservaring weekte Cornelia los van de Calvinistische principes en ging ze verder op zoek. Haar vragen vond zij beantwoord in de katholieke Kerk, waarin zij 21 december 1944 te Wittem werd opgenomen.

Objectief?

Het ware goed geweest als Luykx hier was gestopt. Maar hij gaat door met het beschrijven van De Vogels aandeel in de jaren zeventig. We komen nu wel heel dicht bij het heden, en zoals gewoonlijk, komt dan des te sterker het probleem van subjectiviteit om de hoek kijken. Luykx heeft wel geprobeerd een objectieve stijl te handhaven, maar toch vallen er hier een daar een aantal gaten.

Zo probeert hij, aan het eind van het derde hoofdstuk, de wetenschappelijke stellingen over Plato van professor De Vogel te analyseren. Hij geeft weliswaar aan niet voldoende in het specialisme thuis te zijn om spijkers met koppen te kunnen slaan. Toch meent Paul Luykx te kunnen concluderen dat De Vogel haar wetenschap op 'verkorte-afstand' van de katholieke Kerk beoefende, en daarmee als 't ware in conflict kwam met de autonomie van niet-godsdienstige gebieden. Dit staat echter in schril contrast met het beeld van De Vogel dat de rest van het boek ons toont: iemand die zich laat leiden door onderzoeking. Vooral in het kader van de verderop in het boek beschreven houding van De Vogel ten opzichte van de pauselijke encycliek Humanae Vitae - een houding die verre van traditioneel katholiek en volgzaam was - lijkt deze constatering op zijn minst paradoxaal.

Daarnaast schrijft Paul Luykx Cornelia's angst voor protestantse invloeden en het daarbij gepaard gaande protest toe aan haar bekering. Het zou voor bekeerlingen, zoals De Vogel, niet te verkroppen zijn, dat de theologische problemen die ze tijdens haar bekering hebben moeten overwinnen nu door de moderne theologen eenvoudig kunnen worden overbrugd. Het blijft echter vreemd dat het boek 'De grondslag van onze zekerheid' waarin Cornelia haar bezorgdheid uitte, juist in orthodox protestantse kringen - de kringen waarmee ze heeft moeten breken - veel positiever werd ontvangen dan in katholieke kringen. Daarnaast valt nog hevig te twijfelen aan de door Luykx impliciet geponeerde stelling dat de theologische problemen daadwerkelijk overbrugd zijn.

Verder laten ook andere uitspraken uit het vierde kwart van dit boek een vervelende nasmaak achter bij de katholieke lezer die het orthodoxe geloof nog heeft bewaard. Daaronder reken ik onder andere de manier waarop Luykx de in zijn ogen kwalijke rol van De Vogel in de affaire Schillebeeckx behandelt. De eenzijdige en lafhartige manier waarop hij over prof. Van der Ploeg spreekt. Het omschrijven van de door Vaticaanse maatregelen gedempte levendige atmosfeer als een roomse variant op de 'zwarte-kousen-kerk'. Dit doet de lezer afvragen in welke mate de eerste drie hoofdstukken, die weliswaar een aardig beeld geven van de weg die De Vogel heeft afgelegd, en de keuze om voornamelijk de 'psychologische invloeden' te behandelen door deze subjectieve grondhouding beïnvloed zijn.

Paul Luykx: Cornelia de Vogel: Leven en bekering, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2004, ISBN 9065508120

vrijdag 30 december 2005

Pater Schmidberger SSPX over aartsbisschop Malcolm Ranjith - de nieuwe secretaris van de Congregatie voor de Eredienst

Dit is uit het Angelus (Augustus 2002, Volume XXV, Number 8), "Licht in de duisternis" door pater Franz Schmidberger SSPX

Een ander klein hoopvol lichtpuntje is de benoeming van een bisschop van Sri Lanka in de Romeinse Curie. Zijn naam is bisschop Malcolm Ranjith [zeg: Ran'-jit]. Ik had de gelegenheid om hem afgelopen jaar in maart (2001) te ontmoeten in zijn diocees in het bisschoppelijk huis in Ratnapura, gesitueerd in het midden van Sri Lanka. We hadden een erg goede discussie die twee uur duurde. Hij vertelde mij: er is geen twijfel dat er een duidelijk verband is tussen de crisis van het priesterschap, de crisis van de identiteit van de priester, aan de ene kant, en alles wat er met de liturgie gebeurd is aan de andere kant. Hij zei dat wanneer we de Kerk willen herstellen, wanneer we een werkelijke vernieuwing van de kerk willen bewerkstelligen, dan moeten we daar beginnen, in het eigenlijke centrum. We begrepen elkaar zeer goed.

Aan het begin van de maand oktober vernamen we plotseling dat bisschop Ranjith tot aartsbisschop was benoemd, en aangesteld als co-secretaris van de congregatie voor de propaganda van het geloof en de evangelisatie van de volkeren in Rome. Enkele dagen daarna had ik weer de gelegenheid om hem te ontmoeten omdat hij zijn getrouwde zus in Duitsland bezocht. Opnieuw hadden we een diepgaande en gezonde conversatie, en hij zei: "Ik ben het 200% met je eens dat er werkelijk een probleem in de Kerk is met de liturgie en het priesterschap, en dat beide samengaan. We moeten hieraan werken, en er is geen twijfel dat de Paus de ware Katholieke Mis moet vrijgeven voor iedereen - Ik ga nu naar Rome waar ik mijn eigen privé-kapel zal hebben. Ik heb er zojuist gezorgd voor een Missaal van St. Pius V zodat ik de H. Mis kan celebreren zoals zij behoort te zijn."

bron: http://sspx.ca/Angelus/2002_August/Light_Darkness.htm

donderdag 24 november 2005

Een Revolutie van de Revolutie?

De indruk die ik uit de verschillende geschriften rond het thema "reform of the reform" heb gekregen is dat zij uitgaat van de constatering dat er na het Tweede Vaticaans Concilie iets grondig fout is gegaan met de liturgiehervorming. Een probleem dat verder gaat dan de implementatie maar ook aan de liturgie op zichzelf raakt. Hierbij stoelt zij zich voornamelijk op het werk van Klaus Gamber maar ook zeer sterk op het gedachtegoed van onze huidige paus. Een liturgieherziening wordt niet direct afgewezen, maar er wordt hevig aan getwijfeld of de uitgevoerde liturgiehervorming wel die van Vaticanum II is, of zij wel zo door de concilievaders bedoeld was. Daarom staat zij voor een ernstig opnieuw doordenken van de liturgie, een heropleving van de Liturgische Beweging.

Op de korte termijn worden meestal drie wegen die tegelijkertijd bewandeld moeten worden aangeduid. Ten eerste de hervorming van de contemporaine liturgie, zowel door het aanpassen van de Ars Celebrandi (waarbij de Oosting een zeer belangrijke rol speelt), als verdergaande veranderingen van de liturgische boeken zelf, allemaal gericht op dat wat de concilievaders werkelijk voor ogen hadden. Ten tweede het verstevigen van de positie van de voorconciliaire liturgie, zowel om als richtpunt te dienen van het eerste punt als vanwege haar eigen specifieke waarde. Ten derde een hernieuwde studie van de liturgie en van haar hervorming, een studie zonder polemiek maar die er niet voor schroomt pijnpunten bij de naam te noemen.

Op de middellange termijn wordt er naar gestreefd om de hervormde liturgie zodanig terug te hervormen zodat ze weer wordt tot wat de concilievaders oorspronkelijk voor ogen hadden. Hierdoor hoopt men de breuk met de voorconciliaire liturgie ongedaan te maken en beide liturgieën als het ware weer organisch tot een geheel te brengen.

Hierbij zijn door verschillende auteurs schema's voor de hervorming van de hervorming opgesteld die stuk voor stuk zeer dicht bij de oorspronkelijke voorconciliaire liturgie liggen, en allemaal veel verder liggen van de contemporaine liturgie en zeker van de overheersende praktijk. Persoonlijk heb ik bij het lezen van deze voorstellen de indruk dat we niet meer met een "hervorming van de hervorming" te maken hebben maar met een "revolutie van de revolutie". En volgens mij ziet een deel van de "Reform of the Reform"-beweging dit ook zo. Vooral Aidan Nichols O.P. wekt sterk te indruk in feite uit te gaan van een "revolutie van de revolutie". Andere schrijvers zoals Thomas Kocik (pr.) geven eerder de indruk uit te gaan van een meer organische "hervorming van de hervorming". Hoe het ook zij, sinds het einddoel in grote mate overeenkomt denk ik dat de terminologie voor het heil van de kerk er niet zo veel toe zal doen. Wat voor de een een sterke bijsturing van de romeinse ritus is, is voor de ander het herstellen van de romeinse ritus die nu is vervangen door een ritus die meer neo-gallicaans dan romeins is. Deze verschillen in inschatting hoeven een vruchtbare samenwerking en een vruchtbare door gebed gevoede hernieuwde studie van de liturgie en haar hervorming niet in de weg te staan. Wanneer de een in het einddoel van de "reform of the reform" een breuk met de contemporaine liturgie ziet en de ander niet, doet er voor het heil van de kerk niet toe (temeer omdat het hele proces door een nieuwe diepgaande studie wordt begeleid). Wat van belang is, is een heilige en waardig eredienst.

vrijdag 11 november 2005

Msg. Felley: We willen geen dictaat opleggen

Interview met Msg. Bernard Felley door Gianni Cardinale na zijn audiëntie bij de Paus. Vertaling van uit het engels van: http://www.30giorni.it/us/articolo.asp?id=9361
 
Vandaag ontmoette Monseigneur Bernard Fellay, Superieur Generaal van de Broederschap St. Pius X, de Heilige Vader Benedictus XVI in zijn residentie op Kasteel Gandalfo. Na afloop van de audiëntie legde hij deze verklaring af: "De ontmoeting duurde ongeveer 35 minuten, in een rustige atmosfeer. De audiëntie was voor de broederschap een moment waarop zij kon tonen dat zij met de Heilige Stoel, het Eeuwige Rome, altijd verbonden is geweest en zal zijn. Wij herinnerden aan de alom bekende serieuze problemen in een geest van grote liefde voor de Kerk. We zullen stapsgewijs voortgaan met onze poging om de problemen op te lossen. Het Broederschap St. Pius X bidt dat de Heilige Vader de kracht mag vinden om een eind te maken aan de crisis in de Kerk door alles in Christus te herstellen."
Aldus verklaarde het Broederschap Sint Pius X na de audientie die op 29 augustus door Benedictus XVI aan haar superior generaal werd verleend. 30Days had een telefoongesprek met de opvolger van Mgr. Marcel Lefebvre in het hoofdkwartier van het Broederschap te Menzingen, Zwitserland.
 
Monseigneur Felley, hoe belangrijk was deze audiëntie?
 
BERNARD FELLAY: Het was een ontmoeting die logischerwijze paste in de in 2000 aangeknoopte contacten met Rome en die zich verder hebben ontwikkeld, misschien langzaam, maar wel in een richting die zowel door ons als door de Heilige Stoel als wenselijk wordt gezien: een normale relatie  van Rome met haar Traditie en bijgevolg van de Broederschap met Rome, op zo een manier dat de Broederschap haar apostolaat kan voorzetten zonder de schaduw van de huidige tijd.
 
Wat waren de redenen waarom u deze audiëntie aanvroeg?
 
FELLAY: In de eerste plaats liefde voor de Kerk. En dan het feit dat er een nieuwe Paus is, zodat het heel gewoon is dat wij een audiëntie vragen om onze eer aan de nieuwe opvolger van Petrus, onze paus, te bewijzen. Dat was de eerste reden. Dan als gevolg van het dialoog van de afgelopen vijf jaren wilden we ook proberen te weten te komen wat we in de toekomst kunnen verwachten. En aan de huidige paus voor te leggen wat we zien als de status quaestionis… De problemen van de Broederschap zullen zich natuurlijk oplossen door een toenadering van de huidige Kerk met haar verleden. "Ik ben ervan overtuigd", zei paus Pius XII, "dat de Kerk van Petrus haar verleden moet opeisen; anders zal het zijn eigen graf graven" [cf Georges Rooche en Philippe Saint Germain: Pio XII devant l’histoire, Paris 1972, pp. 52-53, ed.]
 
Heeft u de kans gekregen om uw voorwaarden voor een snelle hereniging te komen te herhalen?
 
FELLAY: We willen de Heilige Vader de eerdere condities niet opleggen. Het is niet onze bedoeling om een dictaat op te leggen. We zeggen alleen dat als we een brug willen bouwen, we noodzakelijkerwijs eerst moeten denken aan de bruggenhoofden waarop zij moet steunen.
 
Het eerste bruggenhoofd zou dan de vrijgave van de zogenaamde Tridentijnse Mis zijn?
 
FELLAY: Wat voor ons van belang is, is dat het klimaat van algemene vijandigheid in de Kerk, soms zelfs van vervolging, ten opzicht van alles dat traditioneel is, tegenover iedereen die zich verbonden voelt met de Traditie, moet veranderen. Momenteel maakt dit klimaat het normaal functioneren van die katholieken die zich verbonden voelen met de Traditie onmogelijk. Wij stellen voor om dit klimaat te veranderen door iets dat nu al feitelijk onderdeel uitmaakt van de bestaande wet formeel af te kondigen: de mis van St. Pius V is nooit afgeschaft en kan daarom vrijelijk door iedereen worden gecelebreerd. Dit lijkt ons geen onbillijk verzoek. Dit zou erg nuttig zijn bij het veranderen van het vijandige klimaat rondom dat gehele traditionalistische wereld.
 
Het tweede bruggenhoofd zou dan het herroepen van de excommunicaties uit 1988 zijn.
 
FELLAY: Binnen onze gelederen heerst er een wantrouwen ten opzichte van de kerkelijke autoriteiten vanwege het leiden dat we in het verleden en tot op de dag van vandaag hebben moeten ondergaan. Om dit wantrouwen te overwinnen zou het herroepen van de zogenaamde excommunicaties een goede oplossing zijn, te meer gegeven het feit dat het gefundeerd is op een vermeend schisma dat in feite niet bestaat.
 
Bent u tevreden met het verloop van de audiëntie?
 
FELLAY: Het verliep goed. Natuurlijk was er een lichte bittere nasmaak omdat er geen tijd was om alles te zeggen. Maar aan de andere kant was dat ook onmogelijk in een audientie van dertig minuten. Men kon er niet meer van verwachten. Het is belangrijk dat de paus ons ontving en het is een goed teken dat hij welwillend tijd voor ons vrijmaakte. De atmosfeer was sereen, ook al werden de bestaande problemen niet onbesproken gelaten.
 
Toen Joseph kardinaal Ratzinger tot paus werd verkozen, verborg u uw tevredenheid niet omdat hij in feite uw "voorkeurskandidaat" was.
 
FELLAY: Dat is waar, en dat is ook na de audiëntie nog mijn mening. Er zijn veel punten die in het voordeel van de huidige paus spreken. Hij kent ons geval vanaf het begin zeer goed, misschien beter dan wie dan ook. Hij kent de Romeinse Curie zeer goed, en dat is erg belangrijk voor zijn pontificaat. De heiligheid van de liturgie ligt hem zich dicht bij het hart en hij is zich bewust van de belangrijkheid van de doctrine; dat speelt ook in zijn voordeel. En ten slotte lijkt het erop dat hij de Curie wil besturen, en daar zijn wij blij mee.
 
Wat zijn naar uw mening de overgebleven obstakels die een volledige toenadering in de weg staan?
 
FELLAY: Hoe het Tweede Vaticaans Concilie wordt gezien. Het feit dat er wordt gezegd dat Vaticanum II in het ligt van de Traditie moet worden geïnterpreteerd, betekent dat de teksten van het concilie in zichzelf niet duidelijk zijn en dat ze daarom een interpretatie nodig hebben. En deze duidelijk dubbelzinnigheid kan niet anders worden gezien dan als een van de oorzaken van de huidige crisis in de Kerk.
 
Volstaat het voor uw leden niet dat het Tweede Vaticaans Concilie ene pastoraal Concilie was en geen dogmatisch Concilie?
 
FELLAY: Dat is precies de redden waarom wij menen dat wij kritische kanttekeningen bij sommige van de documenten van het Concilie mogen plaatsen. Als het Concilie dogma’s had afgekondigd, dat hadden wij dat zeker niet gemogen. Aan de andere kant, aangaande dat wat niet op onfeilbare wijze door het leergezag is afgekondigd behoort men, binnen gepaste grenzen, vrijheid te hebben om kritiek te uiten, zonder dat men daar voor wordt vervolgd.
 
Dus in feite wilt u de vrijheid om een ander oordeel over de historische toestand van de kerk te mogen vellen…
 
FELLAY: Wat dat betreft, dat gebeurt vandaag de dag al in de Kerk. Hoe veel priesters, leraren en bisschoppen doen zo zonder dat zij terecht worden gewezen of verdacht? De paradox is dat ons deze mogelijk a-priori wordt ontzegd.
 
Is er verzet binnen de Broederschap tegen deze gesprekken met de Heilige Stoel?
 
FELLAY: Dit bestaat, maar alleen als gevolg van een wantrouwen van de kerkelijke autoriteiten die ik al eerder heb uitgelegd. Het is een fenomeen dat ik niet kan ontkennen. En dat verklaart de voorzichtigheid waarmee wij de dialoog voortzetten. En dat is waarom ik ook de voorzichtigheid van de Heilige Vader zo goed kan begrijpen. Ik begrijp dat wanneer de Heilige Vader ons een gunst wil bewijzen, hij hindernissen en een enorm verzet zal tegenkomen, dat is zeker.
 
Wat zal de volgende fase in dit dialog met Rome kunnen zijn?
 
FELLAY: Wij wachten op iets uit Rome ten gunste van de Traditie, niet direct op ons gericht, maar ten gunste van de gelovigen die zich verbonden met de Traditie voelen. Een gebaar dat toont dat de Traditie binnen de Kerk iets normaal is, niet gebonden aan concessies en toegeeflijkheid. Dit wordt nu al gezegd, maar de feiten tonen wat anders.
 
Zelfs onder kerkelijke figuren die welwillend staan tegenover de Broederschap en haar verbondenheid met de voorconciliaire liturgie is er soms verbazing over verklaringen die bij tijd en wijlen oproepen tot een onacceptabele nostalgie voor een oud regime, voor een alliantie tussen troon en altaar die niet meer van deze tijd is…
 
FELLAY: Het feit dat er geen katholieken staten meer zijn betekend dat er geen bescherming voor de kerk meer is en dat wetten worden goedgekeurd die haaks staan op de Christelijke ethiek. Met desastreuze gevolgen voor het zielenheil. We kunnen hier niet over blijven zwijgen.
 
Maar momenteel, zoals u zelf zegt, bestaan er geen katholieke staten meer, ook door de crisis in de Kerk die u krachtig verkondigd…
 
FELLAY: Wanneer we naar de feiten kijken dan is dat waar vandaar dat op dit gebied men met de nodige voorzichtigheid moet handelen. We zijn ons er terdege van bewust dat het geloof ons wordt geschonken door de genade van God. Men kan niet haar aan niemand door geweld opleggen. En dan wie zou dat vandaag nog überhaupt kunnen doen? Maar uit principe moet men de mogelijkheid openhouden dat het geloof zodanig zal groeien dat, ten gunste van het zielenheil en het algemeen welzijn, een politieke entiteit zal ontstaan die zijn eigen wetgeving vormt in overeenstemming met het goddelijk recht.
 
Heeft u reacties gehad van katholieke bisschoppen sinds de audiëntie van 29 augustus?
 
FELLAY: Nee, voor zo ver niet. Misschien wachten ze af.
 
Monseigneur Fellay, uw kritische houden aangaande het na Vaticanum II door de Heilige Stoel bevorderde oecumenisme is bekent. Maar heeft u contacten met andere kerken of kerkelijke gemeenschappen?
 
FELLAY: Er zijn contacten met Orthodoxe priesters en bisschoppen. Soms gebeurt het dat zij ons in vriendschap tot ons wenden omdat zij ons beschouwen als anti-roomse schismatici. We vinden dat helemaal niet leuk. We zijn geen schismatici en we geven veel om de band met Rome. En dan zijn er ook Orthodoxe bisschoppen die hebben gevraagd of zij tot de katholieke Kerk zouden kunnen behoren door zich aan te sluiten bij ons broederschap. Deze bisschoppen heb ik altijd geantwoord at zij zich moeten wenden tot de bisschop van Rome, tot de paus. Wij zijn niet en willen niet een parallelle kerk zijn, en ik ben geen tegenpaus!

donderdag 3 november 2005

Clemens van Alexandrië: Stromateis I, 5, 28-30,2

V. 28, 1. Zo was dan voor de verschijning van de Heer voor de Grieken de wijsbegeerte noodzakelijk tot gerechtigheid, maar nu wordt zij nuttig tot godvrezendheid, omdat zij een zekere voorbereiding is voor hen die het geloof door bewijsvoering oogsten; naardien (de H. Schrift) zegt: “Uw voet stootte zich niet”[1], als gij het voortreffelijke, ’t zij het van de Grieken is of van ons, terugbrengt tot de Voorzienigheid. 2. God toch is oorzaak van al het voortreffelijke, evenwel van het ene krachtens wegwijzing, zoals in het Oude en het Nieuwe Verbond, doch van het andere krachtens gevolgtrekking, zoals in de wijsbegeerte. 3. Wellicht is zij reeds toen bij wijze van wegwijzing aan de Grieken gegeven, eer de Heer ook de Grieken riep. Immers ook zij heeft het Griekse (volk) tot Christus opgevoed, gelijk de wet de Hebreeën[2]. De wijsbegeerte bereidt derhalve voor, daar zij bij voorbaat de weg baant voor wie het Christus volmaakt wordt. 4. Salomo bij voorbeeld zegt: “Ommuur de wijsheid en zij zal u verhogen; met een krans van weelderigheid zal zij u beschutten”[3], want als gij haar door middel van wijsbegeerte en juiste aanwending[4] met een omheining bijzonder stevig gemaakt hebt, dan hebt gij haar tevens ontoegankelijk gehouden voor de sofisten.

29, 1. Enkelvoudig derhalve is de weg der waarheid, maar in hem lopen de verdere stromen van elders al in een eeuwige rivier uit[5]. 2. Op goddelijke wijze dan ook is gezegd: “Luister, mijn zoon, en neem mijne woorden aan”, heet het, “opdat uw levenswegen menigvuldig mogen zijn; woorden van wijsheid immers leer ik u, opdat voor u de bronnen niet falen”[6], die uit de aarde zelve opwellen. 3. Natuurlijk somt hij niet menigvuldige heilswegen van een enkele rechtvaardige op, maar hij voegt er nog vele andere wegen van menigvuldige rechtvaardigen aan toe, die hij ongeveer aldus aanduidt: “De wegen der rechtvaardigen voorts blinken in het licht”[7].

De geboden en de voorstudies zouden ook als wegen en aanleidingen des levens kunnen worden gemerkt. 4. “Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmalen heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk een klokhen de kiekens”[8], (zegt de Heer) – Jeruzalem nu wordt “gezicht van de vrede” vertolkt[9]. Zo geeft hij dan op profetische wijze te kennen, dat wie vredelievend hebben uitgezien, op velerlei wijzen tot roeping worden opgevoerd. – Hoe dan? – 5. Hij heeft wel gewild, maar niet gekund. – Hoe dikwijls dan en waar? – Twee malen; door middel van de profeten en door de (persoonlijk) tegenwoordigheid. – De uitdrukking “hoe menigmalen” duidt derhalve de veelvormige wijsheid aan, en krachtens elke afzonderlijke manier van hoedanigheid en hoegrootheid redt zij in elk geval dezen en genen voor tijd en voor eeuwigheid, “want de geest des Heren heeft de bewoonde (wereld) vervuld”[10]

6. En mocht iemand geweld plegen en beweren, dat (de vrouw in) “Hecht u niet aan een slechte vrouw, want honig druppelt van de lippen ener hoererende vrouw”[11] de Griekse cultuur is, dan luistere hij ook naar het volgende. “Die voor een tijd de keel smeert”[12], heet het, maar de wijsbegeerte streelt niet. 7. Wie duidt dan (de Schrift) aan als iemand die gehoereerd heeft? – Woordelijk voegt zij er aan toe: “De voeten der dwaasheid leiden degenen die haar aanwenden na de dood naar Hades, doch hare sporen worden niet geschraagd”[13]. – Doe uw weg dan verre van de dwaze genieting, “sta niet aan de deuren harer huizen, opdat gij uw leven niet aan anderen prijsgeeft”[14]. En dan getuigt zij nog: 8. “Dan zal het u in de grijsheid tot een bekommering zijn, als wanneer het vlees van uw lichaam wegteert”[15]. Immers dat is het eind van de dwaze genieting.

Dit een en ander nu haar betreffende.

8. Wanneer (de Schrift) voorts zegt: “Wees niet menigvuldig bij een vreemde (vrouw)”[16], dan vermaant zij de wereldse cultuur wel te gebruiken, doch er niet in te vertoeven, noch te blijven steken. Wat namelijk bij de passende gelegenheden aan elke generatie afzonderlijk op doeltreffende wijze geschonken is, leidt op tot het woord des Heren. 10. Sommigen immers, die reeds verlokt zijn door de minnedranken der dienstmaagden, hebben de meesteres-wijsbegeerte geringgeschat, en sommigen hunner zijn vergrijsd in muziek, anderen in geometrie, weer anderen in letterkunde, doch de meeste in retorica.

30. 1. Maar gelijk de encyclopedische wetenschappen elkaar ontmoeten in de wijsbegeerte, haar meesteres, zo werkt ook de wijsbegeerte mee tot het verwerven van wijsheid. De wijsbegeerte toch is het zich toeleggen op, de wijsheid, daarentegen de wetenschap van goddelijke en menselijke (dingen) en van hun oorzaken. Derhalve is de wijsheid de meerdere der wijsbegeerte, tegelijk deze van de voorstudies. 2. Immers, indien de wijsbegeerte heerschappij belooft over de tong en de maag en de (dingen) onder de maag, en om haarszelfs wille verkieselijk is, zij zou te meer eerwaardig en oppermachtig zijn, als zij ter wille van de eer en de kennis Gods beoefend werd.

 



[1] Spr. 3: 23

[2] Vergl. Gal. 3:24

[3] Vergl. Spr. 4: 8, 9

[4] Vergl. Philo, de agric. 15 s.

[5] Vergl. Hesiod. Op. 737

[6] Spr. 4:10, 11, 21.

[7] Spr. 4: 18

[8] Verg. Matth. 23: 37; Luc. 13: 34

[9] Verg. Philo, de somn. II 250

[10] Wijsh. v. nSal. 1: 7

[11] Spr. 5: 3

[12] ib.

[13] vs. 5

[14] Verg. vs. 8, 8

[15] Verg. vs. 11

[16] vs. 20

maandag 24 oktober 2005

Bij Lucas 6, 43-49

Prof J.P.M. van der Ploeg O.P.

 

Nijmegen, 14 oktober 1979.

 

Het bovenstaande Evangelie begint met een waarheid uiteen te zetten, die door Mattheüs Aldus wordt samengevat: “Aan hun vruchten zult ge ze kennen!” (Mt. 7, 20), Zó geformuleerd komt deze uitspraak alleen in het Evangelie voor, al spreekt het Oude Testament al van de werken van een mens als van zijn ‘vruchten’ (in Spr. 8, 19). Jezus’ woord verkondigt wijsheid, die iedereen begrijpt; men hoeft er zijn leerling niet voor te zijn. Daarom is het niet alleen christelijke, maar menselijke wijsheid.

De woorden van het Evangelie van Lucas komen uitvoeriger voor in dat van Mattheüs, waar ze aan het einde van de Bergrede staan (zie Mt. 7, 15 vv.). Die plaats laat zien hoe belangrijk ze zijn, wat niet het geval zou zijn, wanneer zij alleen maar een heel algemene aan ieder bekende waarheid zouden willen uitspreken. Als wij ze gebruiken passen wij ze meestal toe in een concrete situatie, op concrete personen. Zo heeft ook Jezus gedaan. Bij Mattheüs leest men dat Hij ze gebruikt voor de pseudo-profeten, die zich in schaapskleren aan de mensen vertonen en de taal spreken die daarbij past, maar van binnen roofzieke wolven zijn. Aan hun vruchten, sprak Jezus – dat is aan hun werken – zult gij ze kennen. En hij voegde er aan toe wat wij óók allen weten: men kent een boom aan zijn vruchten en men plukt geen vijgen van distels of druiven van een doornstruik. Níemand zoekt ze daar, niemand denkt dat hij ze ervan zal kunnen plukken. Omdat Jezus ons hiermee niets nieuws leert, gat het wéér om een toepassing. Die wordt bij Lucas niet gegeven, maar wel wordt een diepe zin van het woord verklaard. “Een goed mens brengt uit de schat van zijn hart het goede voort, een slecht mens het slechte.” De slechte daad vindt zijn oorsprong in het haart, daar ligt de wortel van  de slechtheid van elke boze daad. De morele slechtheid, het morele kwaad, komt uit de slechte wil voort, eerst dáárdoor is een menselijke handeling totáál kwaad. De vrucht van een boom ontstaat wanneer hij van buiten bevrucht is en hij groeit door het sap dat hem van binnen wordt toegevoerd. Zo zal de daad van een mens meestal door een uiterlijke aanleiding ontstaan, maar ze is pas goed of slecht door de bedoeling die hij ermee heeft. Is hij een goed mens en laat hij die goedheid tot haar recht komen, dan zal hij zijn daad, zijn ‘vrucht’, goed zijn. Zo brengt een vijgenboom vijgen voort, de vrucht die volgens de oosterlingen Eva in het paradijs verleidde, en de wijnstok druiven, waaruit de wijn wordt voortgebracht die reeds Noë bekoorde.

 

Zo is het ook met de woorden van een mens, zegt Jezus. Zijn daden komen voort uit zijn hart. En verder: “De mond spreekt waarvan zijn hart overloopt”. Men kan zeggen dat dit vaak niet waar is en juist bij valse profeten over wie Jezus het heeft. Verleiden zij de mensen niet door hun zoet gevooisde leugens? Dat wist Jezus en daartegen waarschuwde Hij, maar Hij wist ook meer: niet zelden verraden slechte mensen zich wanneer zij zich niet voldoende beheersen of fouten maken in hun berekeningen. Dan vloeit hun hart over en houdt de valsheid er niet meer in besloten. Maar vroeg of laat blijkt hun slechtheid ook, wanneer het slechte doel duidelijk wordt, dat zij beoogden.

De woorden van Jezus: “Aan hun vruchten zult gij ze kennen” zijn maar al te zeer van toepassing op de tijd waarin wij leven en de valse profeten die onder ons zijn opgestaan. Wolven noemt Jezus hen in zijn Bergrede. Elke herder verdedigt zijn kudde er tegen, hij jaagt ze weg of schiet ze dood; wij moeten het beleven dat zij bij de kudde mogen blijven en daar doen wat hun aard is, zonder dat vele herders ingrijpen, zelfs maar hun stem ertegen verheffen.

 

Op de valse profeten slaat ook het volgende woord; “Waarom noemt gij mij Heer! Heer! als ge niet doet, wat Ik zeg?”. De ware profeten spraken oudtijds uit naam van de God van Israël, de Heer. Met ‘zo spreekt de Heer’ beginnen veel van hun uitspraken en voorspellingen. Deze woorden moesten zelfs dienen om een authentiek woord van God aan te kondigen. Maar ook de valse profeten bedienden zich ervan. Zij deden niet wat God van hen verlangde. Wat zij het volk verkondigden was Gods Woord en Gods Wil niet. Men kan het heden beleven dat men een theoloog verdedigt door te zeggen dat hij toch zo ‘trouw aan de Kerk’ is, zo ‘geëngageerd’ door haar, terwijl hij de meest wezenlijke waarheden van de geopenbaarde godsdienst ontkent, zelfs in geen echte openbaring gelooft die van een persoonlijke goddelijke Andere komt, die direct tot de mensen heeft gesproken. In een geschrift van een soort mantelorganisatie van het Secretariaat der R.K. Kerkprovincie in Nederland, dat een tegenwoordig veel genoemd tegennatuurlijk kwaad goedpraat, kan men beroepen op God vinden en fraaie woorden lezen, die van Hem worden gebruikt. Hier is het woord van Jezus van toepassing: wolven in schaapsvacht! Wat zegt gij tot mij “Heer! Heer!, als ge niet doet wat Ik zeg?”.

Het laatste woord is echter niet alleen op de genoemden van toepassing. Moeten wij niet zeggen dat het ons allen vaak treft, wanneer wij uiterlijk vroom zijn en onze ‘kerkelijke plichten’, zoals dat heet, vervullen, wanneer wij het Onze Vader bidden en andere gebeden, maar niet àlles doen wat God van ons verlangt? Aan onze vruchten kent men ons dan, kennen wij onszelf.

 

De evangelie-pericoop besluit met een gelijkenis. Wie Jezus’ woorden hoort en ze doet is als een man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd. In Palestina is de ondergrond dikwijls rots of zandsteen, die vaak zelfs aan de oppervlak komt en op veel plaatsen maar weinig aarde boven zich heeft. Het is duidelijk dat een verstandig man de fundamenten van het huis dat hij wil bouwen niet boven op de aarde legt, maar eerst een, twee meter graaft en ze op de harde bodem plant. Dan kan dat huis, als het van solied materiaal is, ertegen als het straks waait, stormt of stortregent, of als er na een wolk breuk een watervloed tegenaan kolkt, zoals in Palestina herhaaldelijk gebeurt, zelfs midden in de woestijn.

Wie Jezus’ woorden uitvoert, zijn bevelen volbrengt, is een verstandig man, die voor de toekomst niet hoeft te vrezen. Hij is veilig – bij God. Maar de dwaas die niet zo zou bouwen, die de eerste steen maar meteen op het zand legt, is gelijk aan de man die wel “Heer! Heer!” tot Jezus zegt, doet alsof hij hem herkent als zijn Meester, maar niet uitvoert wat Hij van hem verlangt. Wie zo doet is in feite een onwaarachtig mens, een leugenaar, hij is onbetrouwbaar. Zo is ook het op het zand gebouwde huis niet betrouwbaar: oppervlakkig gezien lijkt het in rode, in feite deugt het niet. Tegen de ongunst van weer en wind is het niet bestand. Komt er een storm, dan valt het huis in, en wel volkomen, er blijft een puinhoop van over, waaronder inwonenden wellicht bedolven zijn.

De valse profeten, wil Jezus zeggen, bouwen zulke huizen voor de mensen. Zien wij naar die van onze tijd, onze omgeving. De achteruitgang van het godsdienstig en kerkelijk leven in ons land is dramatisch en blijkt o.a. uit ontstellende cijfers. Deze mensen ‘bouwen’ geen Kerk, het woord dat zij zo graag gebruiken (alsof de Kerk nog niet gebouwd was), en het resultaat is de snelle ondergang van een eens bloeiende Kerkprovincie.

 

Wij moeten uit deze pericoop van het Evangelie twee lessen trekken. De eerste is dat wij de valst profeten moeten onderscheiden en hen, voor zover dit in ons vermogen ligt, de schaapsvacht moeten uittrekken, opdat het iedereen duidelijk is, wie ze zijn. Hen alleen maar als wat onkruid te beschouwen, dat men beter niet eens identificeert, en niet uitrukt, is een fatale vergissing, die zich ten onrechte op een parabel van het Evangelie beroept. Het zijn allereerst de Herders, die de wolven moeten verjagen. Waar zij in gebreke blijven, moet ieder doen wat in zijn vermogen ligt om hun schadelijke invloed in te perken. Daarvoor is het noodzakelijk hen te identificeren, dat is: hen aan te klagen. Dat is geen onverdraagzaamheid of liefdeloosheid, maar naastenliefde, liefde voor het volk van God, dat niet te loor mag gaan.

Maar op de tweede plaats – niet nà de eerste, maar gelijk ermee – moeten wij onszelf afvragen of ook wij, als wij “Heer! Heer!” zeggen, wel alles doen wat God van ons verlangt. Het komt erop aan Gods Wil te doen, al het andere baat niet, wanneer wij dit niet willen. Belijden wij daarom onze schuld, staande voor het altaar van God, waarvan men in het Oosten zo gaarne denkt dat het omringd is door de heilige engelen, die God verheerlijken en aanbidden, een schone gedachte die wel eens wáár zou kunnen zijn. Er is zelfs geen enkele reden te bedenken, waarom zij het niet zou zijn. Buigen wij ons diep voor Hem neer in aanbidding, verenigen wij ons met het Offer van Christus en ontvangen wij Hem in een zuiver hart, Hij die de Heer van ons hart is als wij zijn Wil volbrengen. Dan zal dit ons een onderpand zijn, een vooruitbetaling, op de eeuwige heerlijheid, die God ons allen schenken moge.

 

Amen.

 

uit Katholiek Stemmen, Jaargang 8, nr. 11, november 1979.