zaterdag 22 november 2014

De hoop op opstanding en de voorstellingen van het hiernamaals in de vroege Kerk (7)

Prof. Dr. theol. habil. Michael Fiedrowicz

Gemeenschapskarakter van de hemelse voltooiing

Zoals reeds uit de aanroeping van de martelaren blijkt, kon het vroege christendom zich het hiernamaals alleen in een gemeenschappelijke dimensie voorstellen. Socialis vita sanctorum, het leven van de heiligen is gemeenschappelijk, zei Augustinus met het oog op het Rijk Gods en betrok dit gemeenschapskarakter uitdrukkelijk ook op de hemelse voleinding van de civitas Dei.1 Telkens wordt de hemel in de christelijke overlevering in de gelijkenis van een stad voorgesteld. Coelestis urbs, Jerusalem – “Hemelse Stad, Jeruzalem”, zo begint zoals bekend de hymne bij de kerkwijding. Reeds Paulus (Gal. 4,26) sprak van het “Jeruzalem daar boven” en de Apokalyps (Openb. 21-22) ontvouwt de gedachte in grootse beelden van het hemelse Jeruzalem.
 
In het geloofsbewustzijn van de nieuwe tijd stond eerder de eeuwige zaligheid van de onsterfelijke individuele zielen op de voorgrond. In het geloof van de vroege Kerk was juist de overtuiging levend dat heil en voltooiing dan pas kon worden verkregen, wanneer de tweevoudige scheiding van afgescheiden zielen (anima separata) overwonnen is. De scheiding van haar eigen lijf, maar ook de scheiding van de volledige gemeenschap met het mystieke Lichaam van Christus, waarin zij sinds haar doop ingevoegd is.

De voorlopers van Christus met Heiligen en Martelaren (Fra Angelico. 1423-1424)
 
Socialiter gaudentes, in gemeenschap zich verheugen, zo beschreef Augustinus eens het ware leven voor God dat niet meer aan schijngoederen onderhevig is, ook niet alleen voor zichzelf de echte goederen wil genieten, maar veelmeer gemeenzaam met anderen het ware en hoogste goed bezit.2 Niet het solus cum solo, het monos pros monon, het alleen-zijn met de Al-enige, zoals het de laatantieke Neoplatonist Plotinus,3 met zijn ideaal van de van het lichaam losgemaakte ziel, nastreefde. Dat wat de vroege christenen hoopten was het gemeenschappelijke binnengaan in de vreugde des Heren. Deze voorstelling was zo wijd verspreid en bleef tot in de vroege middeleeuwen levend, dat Bernhardus van Clairvaux4 in een preek op Allerheiligen schilderde hoe de uitverkorenen in het voorhof van de hemel verbleven en klaar staan om in het Huis van God binnen te gaan, dit echter toch niet kunnen zolang het getal van hen die gered zullen worden niet volledig is: “Reeds vele van ons staan in de voorhoven en wachten tot het getal van de broeders vol is. In dit zo gelukzalige huis zullen zij namelijk niet zonder ons en niet zonder hun lichamen binnentreden, dat wil zeggen, noch de heiligen zonder de scharen van het volk, noch de geest zonder het vlees.”5
 
Besluiten wij met een tekst van Gregorius de Grote, waarin deze paus dit gemeenschapskarakter van de hemelse voltooiing zeer mooi beschrijft. De gemeenschappelijke oriëntering op God is ook een blijvend met elkaar en tot elkaar van de uitverkorenen, die voor het Aangezicht van God aan elkaars zaligheid ook wederzijds aandeel hebben en schenken. In zijn dialogen schrijft hij: “De goeden zullen grote vreugde ondervinden, wanneer zij zien dat diegene, die zij lief hadden, zich men hen verheugen … Echter bij de uitverkorenen gebeurt iets dat nog wonderbaarlijker is: zij herkennen niet alleen diegene, die zij in deze wereld gekend hebben, maar zij zullen veelmeer ook de goeden, die zij nooit gezien hadden, herkennen alsof zij ze reeds gezien en gekend hadden. Want wanneer zij in het eeuwige erfgoed de heiligen uit de oude tijden zien, dan zullen zij hen niet als onbekend voorkomen, maar als met wie zij in hun handelen altijd al vertrouwd waren. Omdat allen in de gemeenschappelijke heerlijkheid van God zullen kijken, wat kan er daar zijn, wat zij niet reeds kennen, want zij kennen Hem, die alles kent?”6
 
Een mooi perspectief: niet alleen een weerzien van hen, die wij kenden, maar ook een ontmoeting met hen, die wij nooit hebben kunnen ontmoeten: een gesprek met Augustinus, met Gregorius de Grote, met John Henry Newman, met paus Pius V of Pius X misschien. Een ieder die dit geloof en deze hoop van de vroege christenen mag delen, zal hier zelf de namen kennen, waarop hij zich verheugt.
 

1 De civitate Dei 19,5
2 Confessiones 10, 64.
3 Noot vertaler: circa 205 tot 270 na Chr.
4 Noot vertaler: 1090 tot 1153 na Chr.
5 Zie: Bernard van Clairvaux, sermo 3,1 in festivitate omnium sanctorum: Iam multi ex nobis in atriis stant, exspectantes donec impleatur numerus fratrum; in illam beatissimam domum non sine nobis intrabunt, id est non sancti sine plebe. Vertaling: Benard von Clairvaux, Sämtliche Werke, lateinisch / deutsch, VIII Insbruck 1997, 769. Zie ook: Lubac, Glauben, 114; Ratzinger, Eschatologie, 116f; Ratzinger, Auferstehung des Fleisches: LthK 2 1, 1049. Zie ook de kritische opmerkingen op bepaalde moderne tendensen vroegchristelijke-middeleeuwse opvattingen van de “wachtende Hemel” ten gunste van een alverlossingsleer te interpreteren, bij Barth, Hermeneutik, 390,405.
6 Dialogi 4, 34, 3 5.

zaterdag 15 november 2014

De hoop op opstanding en de voorstellingen van het hiernamaals in de vroege Kerk (6)

Prof. Dr. theol. habil. Michael Fiedrowicz

Gevaren van de overtocht

De aartsengel Michael redt de ziel van Eva
(detail uit Horarium "Grandes Heures de Rohan" - 1430)
Johannes Chrysostomus schreef: “Wanneer wij reeds op de Weg van de ene stad naar de andere een gids nodig hebben, des te meer zal een ziel, die aan de ketenen van het vlees ontsnapt en naar het toekomstige leven overgaat, iemand nodig hebben, die hem de weg wijst.”1 Het geloof in een engel, die de ziel van de rechtvaardige in de hemel begeleid – angelos psychopompos –, werd uit het vroege Jodendom door de christenen overgenomen. Ook in het heidendom bestonden soortgelijke ideeën. Hermes gold voor de Grieken als de psychopompos, de “zielengids” in het hiernamaals.2 In het overlijdensgebed van de heilige Macrina3 staat: “Eeuwige God, Gij behoor ik van de moederschoot af toe. Gij heeft mijn ziel met al haar kracht lief gehad; Gij heb ik mijn lichaam en ziel vanaf mijn kindsheid tot vandaag toegewijd. Stel een engel van het licht aan mijn zijde, die mij naar de plaatsen van verkwikking zal geleid, naar het water van de rust, in de schoot van de heilige vaderen.”4 De meest genoemde engel in deze samenhang is de heilige aartsengel Michael, die soms als angelos ph tag gós aangeduid werd, als Engel die naar het Licht leid.
 
Hoewel pas relatief laat, in de vijfde en zesde eeuw, duikt binnen de kerk het idee van een in gevaar zijn van de ziel na de dood op haar reis in het hiernamaals op (Oud-Gallische en West-Gotische kerk). Sindsdien werd om de bescherming van de heilige engelen, in het bijzonder de Aartsengel Michael, gebeden.5 In het offertorium van de Romeinse Mis voor de overledenen bidt de Kerk: “Domine Jesu Christe, rex gloriae - Heer Jezus Christus, Koning van de heerlijkheid, bewaar de zielen van alle gestorven gelovigen voor de kwalen van de onderwereld en voor de diepe zee. Bewaar hen voor de muil van de leeuw, opdat de Tartarus ze niet verzwelgt, opdat zij niet valle in het donker. Veelmeer geleide hen Sint Michael, de banierdrager, in het heilige Licht, dat gij eens aan Abraham en zijn nakomelingen hebt beloofd.”6
 
In de tweede en derde eeuw was het gevaar van de demonen alleen uit gnostisch-ketterse getuigenissen bekend. Via monastieke kringen kon in de vierde eeuw de gnostische voorstelling van de hemelvaart van de ziel en de demonische gevaren bij het opstijgen naar God in de christelijk voorstellingswereld zijn binnengedrongen.7 Wanneer de vroege Kerk van de gevaren wist die de ziel op haar weg 'naar boven' bedreigden, dan waren hiervoor ook aanknopingspunten in het Nieuwe Testament: sprak toch reeds de Apostel Paulus van de “Geesten van de boosheid in de luchten”, tegen wie wij moeten strijden (Eph. 6, 122).8 De zogenaamde gevaren van de overtocht behoren duidelijk tot de oerkennis van de mensheid. Men denkt hierbij aan het Egyptische of Tibetaanse dodenboek, of aan de mythe van Plato´s dialoog Phaidon, waar uitdrukkelijk wordt gezegd dat de weg naar het hiernamaals zeker niet makkelijk en zonder gevaar is. Tussen de beeldenwereld van de mythen en het christelijk sterfritueel bestaat een verbazingwekkende overeenkomst.9 Christiaan Schönborn stelde terecht de vraag: “Waarom wordt in de tegenwoordige versie van de gebeden voor de overledenen met geen woord op deze gevaarlijke en donkere kant van de 'overtocht' gewezen? Een zulk verzwijgen kan ertoe leiden dat men de hulp bij de omgang met deze ervaringen niet meer binnen de Kerk, maar in het gebied van het occulte of het bijgeloof zoekt.”10
 

1 Homilia in Lazarum 2,2. Zie: J. Daniélou, Die Sendung der Engel, Salzburg 1962, 123-128.
2 Zie: Schönborn, Existenz, 140.
3 Noot vertaler: 324 tot 379 na Chr.
4 Gregorius van Nyssa, vita Macrinae 23. Vertaling: Hamann, Gebete der frühen Christen, Nr. 258.
5 Zie: Dassmann, Jenseits, 400; J. Michl, Engel VII (Michael): Reallexikon für Antike und Christentum 5 (1962) 249f.
6 Zie: Eisenhofer, Handbuch II, 138f.: Het verwijzen naar de zielen in de louteringsplaats met sterke aanduidingen (infernus, tartarus, profundus lacus). Gamber, Lichtglanz, 40.
7 Zie: Struiber, Refrigerium interim, 201f; Gamber, Lichtglanz, 36.
8 Zie: Gamber, Lichtglanz, 35.
9 Zie: Schönborn, Existenz, 140.
10 Schönborn, Existenz, 145 Anm. 14.

zaterdag 8 november 2014

De hoop op opstanding en de voorstellingen van het hiernamaals in de vroege Kerk (5)

Prof. Dr. theol. habil. Michael Fiedrowicz

Voorbeden voor de overledenen

In deze context worden nu de voorbeden voor de overledenen belangrijk. Veel grafschriften vragen om een biddend gedenken door de nog levenden. Zo luidt een opschrift op het graf van een christenvrouw genaamd Agape: “En gij, mijn broeders, ik smeek u / wanneer gij naar hier komt om te bidden, / en de Vader en de Zoon aanroept, / dan gedenkt Agape, / zodat de almachtige God / Agape tot het eeuwige leven beware.”1
 
Het omringd zijn door de gemeenschap van de Kerk reikt dus over de grenzen van de dood heen. De vroeg-christelijke vroomheidspraxis en haar liturgie tonen indringend hoe de “ecclesiale verankering van de mensen op de drempel van de dood niet wordt afgebroken of opgeheven, maar veel meer dat men over de drempel van de dood heen elkaar kan blijven dragen en verdragen, elkaar kan geven, voor elkaar kan lijden en van elkaar kan ontvangen.”2 Het mogelijk zijn van en de opdracht tot zo een liefde over de graven heen wordt voor het eerst duidelijk in 2 Makkabeën 12, 42-45 betuigt3 en is een fundamentele werkelijkheid van de Westerse en Oosterse Kerk gebleven die pas door de reformatorische belijdenissen in twijfel werd getrokken.4
 
De voorbede voor de overledenen in de tegenwoordigheid van het Eucharistische Offer gold als heel bijzonder werkzaam.5 Cyrillus van Jeruzalem6 zei: “Wij gedenken ook die reeds zijn ontslapen …, want wij geloven, dat het (sc. gebed) de zielen, waarvoor wij bidden, dan het grootste nut brengt, wanneer het heilig, ontzagwekkend Offer voor ons ligt.”7 Johannes Chrysostomus riep de gelovigen op: “Niet zonder rede is door de apostelen de regeling getroffen, dat bij het vieren van het eerbiedwaardige geheim de overledenen herdacht moeten worden. Zij wisten heel goed, dat hen (de overledenen) daaruit een groot gewin, een groot nut toevloeit. Wanneer namelijk het gehele volk en de gehele priestergemeenschap daar met geheven handen staat en het eerbiedwaardige Offer op het altaar ligt, hoe moet, door onze voorbede voor hen, niet het Hart van God worden verzacht?”8
 
In de Romeinse Canon9 wordt een voorbede ingevoegd voor allen “die ons vooruitgegaan zijn” op die weg, die wij allemaal te volgen hebben. Die ons vooruitgingen “met het teken van het geloof (cum signo fidei)”, die hen in de heilige doop ingegoten werd en in wiens belijdenis zij tot het einde volhard hebben. Die “slapen in vrede (qui dormiunt in somno pacis)”, in vrede met de Kerk, van wie zij zich in hun leven noch door ketterij en schisma vrijwillig hebben afscheiden, noch door de straf van de excommunicatie werden gescheiden. In de Romeinse Canon noemt nu de priester de namen van hen, die hij wil gedenken.10 Wanneer deze namen genoemd zijn, smeekt het gebed verder voor alle in Christus rustende (pro omnibus in Christo quiescentibus). Augustinus benadrukte hoe verheven en vol troost het is, dat de Kerk bij de Offerviering alle in Christus overledene gedenkt, zodat ook voor hen, die noch ouders, noch kinderen, noch bekende en familie hebben, en voor wie verder niemand bidt, ten minste door de ene Moeder de Kerk wordt gebeden.11 In zijn Confessiones vermeld hij met betrekking tot zijn moeder Monica, dat men haar “aan het Altaar moge gedenken (Meminerint ad altare tuum),”12 zoals zij het zelf aan Augustinus had gevraagd.13 Hij benadrukt in een preek: “Er is geen twijfel aan mogelijk, dat dit voor de overledene van nut is, echter alleen voor hen die voor de dood zo leefden, dat dit na de dood voor hen van nut kan zijn.”14
 
Requiemmis
Voor hen allemaal bidt de Kerk om de hemelse zaligheid, die zij in de Romeinse Canon omschrijft met de woorden: “plaats van verkwikking, van licht en van vrede (locum refrigerii, lucis et pacis, ut indulgeas depracamur).”15 Wanneer de liturgie van de overledenen in een steeds terugkerende wending voor de overledenen bidt: “Requiem aeternam done eis Domine (eeuwige rust schenk hen, o Heer)” dan gaat het ten eerste ook om het tot rust komen van de na de dood in dit tussenrijk verblijvende ziel, opdat zij haar weg moge vinden in deze voor haar nog vreemde wereld.16 Ten slotte en vooral gaat het om de “eeuwige rust” bij God.17 Met een dergelijke gedachtenis voor de overledenen is de Kerk echter nog niet geheel tevreden.18 Mogelijkerwijs reeds sinds de tijd van de Apostelen19 werd speciaal voor hen, zowel direct na de dood, reeds voor de begrafenis, evenals op de verjaardagen van hun dood,20 het Heilig Misoffer opgedragen (met rijkelijke oblatie van de aanwezigen), en wel “voor haar zielenrust”, dat is als offer van verzoening voor het geval zij dit nog nodig hebben. Augustinus schreef: “Men mag niet ontkennen dat de zielen van de overledenen door de vrome gebeden van de nog levende familieleden verlichting wordt gegeven, en in het bijzonder wanneer voor hen het Offer van de Middelaar wordt opgedragen of wanneer aalmoezen in de Kerk worden gegeven. Dit kan echter alleen voor hen van nut zijn, die het in de tijd van hun aardse leven verdient hebben dat deze dingen hun later kunnen helpen.”21 Van de grote werkzaamheid van het opdragen van het Offer voor de overledenen is bijzonder vaak in de geschrifte van Gregorius de Grote22 sprake.
 
Reeds aan het begin van de tweede eeuw zijn er aanwijzingen dat voor de martelaren na de dood niet hetzelfde lot van de wachttoestand geldt, zoals voor de overige gelovigen.23 Volgens Ireneüs24 gaan de martelaren als enige onder de gelovigen na hun dood niet Hades binnen, maar worden door de Kerk “naar de Vader vooruitgestuurd.”25 Volgens Tertulianus bereikten de martelaren direct na hun dood de Patriarchen, Profeten en apostelen in het paradijs.26 “Vandaag zijn wij martelaren in de Hemel. God zij dank”, spraken de bloedgetuigen uit de Noord-Afrikaanse plaats Scilli direct na het uitspreken van hun terdoodveroordeling. De sterfdag van de martelaren gold als dies natalis, als hun “geboortedag voor de hemel”. Ook voor Hippolytus27 zijn de martelaren tezamen met de profeten en apostelen reeds in het bezit van hun, in de hemel gedeponeerde, kronen van onvergankelijkheid. Zij “rusten in het Rijk van Christus” uit.28 Daarom is het begrijpelijk dat de op deze manier door God aangewezen christenen, die “de Kerk tot de Vader vooruitgestuurd heeft” of, die zoals de Syrische Diadakalie het formuleert, “Gods raadgevers” zijn geworden en vrij van zonden en gebreken voor Zijn aangezicht staan,29 door de overige gelovigen, die deze privileges niet bezitten, als voorsprekers worden aangeroepen. Het lijkt daarom theologisch gerechtvaardigd dat men deze levend “bij de Heer” wist en van hun medelijden met de nog op aarde verblijvende gelovigen zeker was. Sinds de opstanding van Christus en zijn overwinning van de macht van Hades over de rechtvaardigen en vromen mocht men erop vertrouwen dat de band van de liefde tussen de broeders en zuster door de dood niet meer verbroken kan worden.
 
Op zeer oude bronnen gebaseerd en door de liturgie betuigd is het gebed om de bijstand van de heiligen, in het bijzonder de patriarchen, profeten, apostelen en martelaren, die de overledenen tegemoet gaan, die hen opnemen en met wie zij in gemeenschap zullen zijn.30 Nog vandaag bidt de Kerk in haar liturgie voor de overledene op de weg naar het graf: “Tot het paradijs moge de engelen u begeleiden, bij uw aankomst de martelaren u begroeten en u leiden in de stad Jeruzalem. De koren der engelen mogen u ontvangen, en met Lazarus, die eens zo arm was, zal eeuwige rust u verheugen.”31 Overeenkomstig luidt het gebed direct na het overlijden: “Kom te hulp, gij Heiligen van God (suvenite, Sancti Dei), haast tegemoet, gij engelen van de Heer. Neemt op zijn ziel en draag haar voor het aanzicht van de Allerhoogste. Christus neemt u op, die u geroepen heeft, en in het hemelrijk zullen engelen u geleid doen.”32
 

1 Hamann, Gebete der frühen Christen, Nr. 127.
2 Ratzinger, Eschatologie, 185; zie ook 189f.
3 Genoemd worden gebed en zoenoffer voor de gevallenen, om hen van hun zonden te verlossen. Deze perikoop werd in de klassieke Ritus gebruikt in de tweede Mis op Allerzielen en in het Requiem bij de jaardag van de overledenen.
4 Zie: Ratzinger, Eschatologie, 190; H. L. Barth, Hermeneutik der Kontinuität oder des Bruchs? Aspekte der Theologie Papst Benedikts XVI., Stuttgart 2012, 460.
5 Zie: L. Eisenhofer, Handbuch der katholischen Liturgik II, Freiburg 1933, 189.
6 Noot vertaler: circa 315 tot 386 na Chr.
7 Mystagogicae catecheses 5,9.
8 Homilia 3,4 in ep. Ad Philippenses.
9 Zie: Eisenhofer, Handbuch II, 189.
10 Vroeger volgde het voorlezen van de namen uit de diptychen.
11 Zie: de cura pro mortuis gerenda 6.
12 Confessiones 9, 37.
13 Zie: confessiones 9, 27.
14 Sermo 172,2.
15 Volgens Eisenhofer, Handbuch II, 190, gaat het hier om een tegenovergesteld begrip van een reinigingsplaats.
16 Zie: Gamber, Lichtglanz, 34.
17 Zie Baudry, Handbuch, 218: “De betekenis van het christelijke idee van de 'rust' na de dood wordt pas dan volledig duidelijk wanneer men haar in verband brengt met de sabbatsrust, het rusten van God na de schepping. Deze rust is niet een eenvoudige stilte, maar het actief deelhebben aan de feestelijke gelukzaligheid bij God, dat als feestmaal op de eeuwige sabbat wordt uitgebeeld.”
18 Zie V. Thalhofer, Handbuch der katholischen Liturgik II, Freiburg i. Br. 1890, 323.
19 De universele verspreiding van het gebruik het Misoffer voor de overledenen op te dragen, geldt als indicatie van haar apostolische herkomst.
20 Tertullianus zegt in, de corona 3,3, en de exhortatione castitatis 11,1, uitdrukkelijk dat de christenen de heidense vieringen van de verjaardag van de geboorte door de gedachtenis aan de sterfdag vervingen, waarop men de Mis vierde. Zie: Baudry, Handbuch, 223.
21 Enchiridion 110.
22 Noot vertaler: circa 540 tot 604 na Chr.
23 Zie: S. Hausammann, Alte Kirche II, Neukirchen/Vluyn 2001, 175f, 183.
24 Noot vertaler: circa 120 tot 202 na Chr.
25 Adversus haereses 4,33,9; 5,5,1.
26 Zie: De carnis resurrectione 43; de anima 55,4.
27 Noot vertaler: circa 170 tot 235 na Chr.
28 De antichristo 31,59.
29 Didaskalia 20, 101, 33 102, 7.
30 Zie: Dassmann, Jenseits, 400.
31 Collectio rituum I, Regensburg 4. Aufl. o.J., 123, Ritus maior sepeliendi adultos, 123: In paradisum deducant te Angeli.
32 Collectio rituum I, Regensburg 4. Aufl. o.J., de exspiratione, 85.

zaterdag 1 november 2014

De hoop op opstanding en de voorstellingen van het hiernamaals in de vroege Kerk (4)

Prof. Dr. theol. habil. Michael Fiedrowicz

Tussentoestand, doodsslaap en vagevuur

Hoe zagen nu de vroegchristelijke voorstellingen van het hiernamaals in detail er uit? Onmiskenbaar werden in het Nieuwe Testament veel voorstellingen uit het vroege jodendom overgenomen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Ethiopische Henochboek (circa 150 voor Chr.) of het vierde Esraboek (ca. 100 na Chr.).1 “Wij zullen zien dat de oude kerk precies op het gebied van de eschatologische voorstellingen uiterst conservatief is gebleven, er heeft zich geen wisseling van 'Semitisch' naar 'Hellenistisch' voltrokken, maar zij bleef geheel in de Semitische beeldcanon, zoals eenduidig blijkt uit de kunst in de catacomben, liturgie en theologie. Het wordt alleen steeds duidelijker dat al deze beelden uiteindelijk geen plaatsen beschrijven, maar Christus omschrijven.”2
 
Beelden en uitspraken van de Schrift over het hiernamaals waren uiterst divers en complex, in geen geval altijd eenduidig of harmonisch, en gaven daarom in de de tijd na het Nieuwe Testament aanleiding tot de meest uiteenlopende interpretaties en speculaties. Het geloof in de wederkomst van Christus aan het einde der tijden, in een algemeen wereldgericht, in de lijfelijke opstanding van de doden gaf zeer snel aanleiding tot de vraag wat het lot was van hen die voor het einde van de wereld stierven. Reeds Paulus sprak van een slaap: “Wij willen jullie niet onwetend laten, broeders, over de ontslapenen, opdat gij niet treurt zoals de anderen, die geen hoop hebben” (1 Thess. 4,13). Paulus gebruikt hier een in het Joods-Hellenistische spraakgebied verbreide metafoor, die wortelt in de gelijkenis van een dode met een slapende. Op geen enkele manier werd hiermee een wegzinken in een absolute bewusteloosheid bedoeld. In tegendeel, zo was bijvoorbeeld Ambrosius3 ervan overtuigd dat de dood de ziel niet aan de lethargie van een doodsslaap overlevert, maar de zij, van de banden van het leven ontdaan, nog intensiever als voorheen haar geestelijke levensfuncties bezit.4 Overigens waren reeds in de Griekse Mythologie Hypnos, de slaap, en Thanatos, de dood, tweelingbroers. De metafoor ging in het christelijk spraakgebruik over. Tertullianus bijvoorbeeld omschreef de dood als dormitio, als een ontslapen of inslapen.5 Augustinus schreef: “Iedere lijfelijk dood is bij ons gelijk een slaap.”6 In deze samenhang moet ook niet worden vergeten dat het begrip “opstanding” in het Grieks net zoals in het Latijn “opstaan” betekend, zoals men opstaat, nadat men heeft geslapen (aníst mi, resurgere).
 
Opstanding van Lazarus (Juan de Flandes,
ca. 1465 - 1519, bron: Wikimedia Commons)
Kenmerkend zijn ook de woorden van Christus bij de opwekking van de dochter van Jaïrus: “Het meisje is niet dood, zij slaapt alleen (katheudei) – non est enim mortua puella, sed dormit” (Mat. 9, 24). Soortgelijk zijn Zijn woorden bij de opwekking van Lazarus: “Lazarus, onze vriend, slaapt. Maar ik ga naar hem, om hem op te wekken” (Joh. 11, 11). Johannes Chrysostomus verklaarde de eerstgenoemde opwekking uit de dood: “Toen wist men echter nog niet, dat de dood alleen een slaap is; nu is dit helderder dan de zon. … Niemand mag dus in de toekomst nog treuren en weeklagen en daarmee het heilswerk van Christus in opspraak brengen. Hij heeft de dood overwonnen. Wat treurt gij dus onnodig: de dood is tot een slaap geworden. Wat jammert en weent gij? … Wij zeggen niet: draag het dapper, omdat gij dat wat gebeurd is niet meer kunt veranderen, maar: draag het dapper, omdat de overledene geheel zeker weer zal opstaan; uw kind slaapt alleen, hij is niet dood, hij rust in vrede, hij is niet verloren. Hij wacht op zijn opstanding en het eeuwig leven, de onsterfelijkheid, het leven van de engelen.”7
 
In zijn standaardwerk over het overnemen (chrêtis) van de antieke cultuur door het vroege christendom schrijft Chr. Gnilka: “Ja, zelden toont zich het wezen van een gelukte Chrêtis zo duidelijk als daar, waar christelijke schrijvers het oude motief (sc. van de doodsslaap) laten doorschemeren. Want het ontbrak haar aan een cruciaal element: het idee van het ontwaken uit de slaap van de dood. … De nieuwe (sc. Christelijke) analogie (sc. dood = slaap) nam de betekenis op die het oude beeld van de doodsslaap in het heidense denken had en heelde tegelijk de onvolkomenheid van deze oude voorstelling.”8
 
Afgeleid van het Griekse koimasthai (slapen) of koimesis (slaap) werden sinds het begin van de derde eeuw de christelijk begraafplaatsen als koimeteria ofwel coemeteria aangeduid (vergelijk: cimetero, ciemetière, cimetery).9 Voor zowel de heidenen als ook voor de christenen was het graf het huis van de doden. Echter terwijl de heiden het graf als de ingang van de onderwereld (Hades) beschouwde, zag de christen erin de verblijfplaats van het lichaam tot aan de algemene opstanding.10 In deze samenhang voerde het christendom een nieuwe, tot dan toe niet gebruikte uitdrukkingswijze, een oud-christelijke uitdrukking voor begrafenissen, in: depositio, dat een specifiek christelijke vertaling van het Griekse káth sis is.11 De gedachte dat de doden tot aan de eerste opstanding slapen, leeft in de oudste liturgische teksten voort. Zo bidt de priester in de Romeinse Miscanon voor hen “die in de slaap van de vrede rusten (qui dormiunt in somno pacis)”. In een vroegchristelijke prefatie voor de overledenen wordt van de gestorvene gezegd dat de scheiding van zijn ziel van het lichaam voor hem: “geen ondergang betekent, maar een slapen (non interitum esse voluisti sed somnum).”12
 
Gold het graf als plaats van de opstanding van het lichaam, zo bleef de vraag naar de tussentijdse toestand van de van het lichaam gescheiden ziel. Fundamenteel voor de beeldvorming van het leven na de dood was de nieuwtestamentische gelijkenis van de arme Lazarus en de rijke verkwister (Luk. 15, 19-31), waarin wijdverbreide folkloristische opvattingen van het toenmalige jodendom worden weerspiegeld:13 de overledenen, rechtvaardigen evenals onrechtvaardigen, bevinden zich in een dodenrijk, de zogenaamde Scheol (v. 23: Hades), met twee ruimtes, door een diepe afgrond van elkaar gescheiden, zodat die in de ene ruimte verzameld zijn gepijnigd, die in de andere getroost konden worden. De aanduiding “Abrahams schoot” voor de laatstgenoemde plaats is een metafoor voor de liefhebbende gemeenschap met hen.14 “De uit het rabbijnse jodendom stammende uitdrukking komt overeen met de Bijbelse formulering, die het lot van de rechtvaardige na de dood omschrijft als: 'weer met de voorvaderen verenigd te zijn.' Bedoelt is de vereniging met de patriarchen, wiens oerbeeld Abraham is, hetgeen betekent, tot de verblijfsplaats van de gelukzaligen te komen.”15 De verblijfsplaats van alle doden werd doorgaans in het binnenste van de aarde gelokaliseerd (zie. Mat. 11,23; 12, 40). Een einde van dit dodenrijk werd verwacht. Volgens andere uitspraken van het Nieuwe Testament verblijven de rechtvaardigen in de nabijheid van God: “Vandaag nog zult gij met mij in het paradijs zijn”, belooft Christus de goede moordenaar aan het kruis (Luk. 23, 43). “Paradijs” betekent tuin en verwijst naar de Bijbelse “Hof van Eden”, waarvan in het boek Genesis (2,8-3,24) wordt gesproken. Volgens haar getuigenis bestaat het Paradijs nog steeds, en wel op een manier die overeenkomt met de oorspronkelijke, ideale zijnswijze van de gehele kosmos, zoals zij aan het einde van de tijden weer openbaar zal worden (vergelijk Openbaringen 21, 1). Reeds het late Jodendom had in de inter-testamentaire geschriften het aardse paradijs op de hemel overgedragen. In de Apokalyse (2,7) werd de overwinnaar beloofd, dat hij eten zou “van de boom des levens, die in het paradijs staat”, een beeld van kennis en volheid van leven, die de verloste mens ten deel zou worden.
 
Andere plaatsen van het Nieuwe Testament spreken over de “eeuwige tenten” (Luk. 6, 9), het “hemelse Jeruzalem” (Hebr. 12, 22), en het “Rijk der Hemelen” (2 Tim. 4, 18). In het algemeen wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de tijd voor en de tijd na het einde van de wereld. Ondanks deze bijzondere nabijheid van God na de individuele dood, betekent het door de rechtvaardigen betreden van dit gebied nog niet een volledig vooruitlopen op het definitieve. Deze benadering van het Nieuwe Testament werd in de tijd erna voortgezet en tot een eigen voorstellingswereld van de tussentoestand (anápausis / refrigerium) uitgebouwd.
 
In de klassieke studie over dit onderwerp heet het: “De kerkelijke schrijvers van de voor-Constantijnse tijd, met uitzondering van de gnostisch gezinde Alexandrijnen Clemens16 en Origenes, hebben met verbazingwekkende volharding aan de op de Bijbel en de laat-joodse tradities gegronde voorstellingen van de toestand tussen dood en opstanding vastgehouden en met alle kracht de Hellenisering van de christelijke eschatologie afgeweerd. Het cruciale punt van deze eschatologie is het geloof in de lijfelijke opstanding aan het einde van de heilsgeschiedenis, die door de opstanding van Christus een nieuwe grondslag en betekenis heeft gekregen. Een lijfelijke opstanding is volgens vroegchristelijk begrip alleen dan mogelijk, wanneer het lichaam uit het graf en de ziel uit de onderaardse dodenwereld wordt opgewekt; de opgestane rechtvaardigen geraken dan in de definitieve hemelse zaligheid bij God. Tussen de dood en de opstanding verblijven alle overledenen in Hades, waar reeds voor het eindgericht de rechtvaardigen en zondaars in verschillende verblijfplaatsen beloond of gestraft worden. Een voorlopige opname van de ziel in de hemel wordt verworpen, omdat daardoor de lijfelijke opstanding in gevaar lijkt te komen: het zou strijdig met de orde van de heilsgeschiedenis zijn wanneer de ziel reeds op haar uiteindelijke plaats van zaligheid zou geraken en de betekenis van de lijfelijke opstanding als de beslissende eindgebeurtenis hierdoor teniet zou worden gedaan.”17
 
Aan de totstandkoming van deze zogenaamde interim-theorie heeft – naast de vroegjoodse en nieuwtestamentische voorbeelden – ook de strijd met het gnosticisme haar bijdrage geleverd. Hier werd in navolging van het dualisme de lijfelijk opstanding verworpen en de ziel direct na het sterven in de hemel overgebracht, waar zij haar definitieve zaligheid bereikt. Des te nadrukkelijker verdedigden de kerkelijke theologen een anti-gnostische eschatologie, die pas in het opnieuw verenigen van het lichaam en de ziel de ware voltooiing van de mens accepteerde. Pas in het midden van de vierde eeuw, nadat de macht van het gnosticisme gebroken was, trad in de literaire en archeologische bronnen de interim-theorie naar de achtergrond ten gunste van de voorstelling dat de ziel al direct na de dood in de hemel of de plaats van de verdoemenis ofwel de loutering binnen zou gaan.18
 
Sinds de vierde eeuw leefde de oudere zienswijze van de tussentoestand met name daarin voort, dat deze toestand de loutering van onvolkomen gelovigen tot doel heeft.19 Hoewel het verblijf in Hades ook eerder (circa 200) niet alleen als wachttoestand werd begrepen, maar doorgaans in de zin van een vagevuur, een loutering. Het interim werd zo tot een noodzakelijk purgatorium voor iedereen.20 Een belangrijke gedachte ontvouwde in dit kader bisschop Cyprianus van Karthago21 in het midden van de derde eeuw. Voor de in het geloof overledenen was hem het eeuwige heil gelijk na de dood zeker. Evenzo wist hij van de eeuwige hel. “Wat in feite zijn pastoraal probleem vormde, waren de goedwillende zwakken, de middelmatige christenen, die in de vervolging de kracht voor het martelaarschap (martyrium) niet hadden gevonden, en aan de eisen van de staatscultus hadden voldaan, waarmee zij Christus openlijk verloochend hadden, maar die christelijk wilden blijven en om de verzoening met de Kerk vroegen.”22 In deze samenhang werden nu de woorden uit een gelijkenis van Jezus belangrijk, volgens welke de mensen worden opgeroepen, zich reeds op de weg naar de rechter met de andere partij te verzoenen (zie: Mat. 5, 26). Deze tekst gaf voor bisschop Cyprianus het aanknopingspunt “om een mogelijke voortzetting van de kerkelijke straf in het hiernamaals te denken … zeker, zij (sc. die verzaakt hadden) konden, zoals ze nu zijn, niet in de uiteindelijke christelijke gemeenschap binnengaan; daarvoor stonden de loochening, de halfhartigheid, in de weg. Echter zij kunnen worden gereinigd. Kerkelijke straf als weg van de reiniging bestaat niet alleen in het heden, maar ook in het hiernamaals. Met deze uitleg van de reiniging in de andere wereld is nu de grondgedachte van het middeleeuwse vagevuur duidelijk geformuleerd.”23
 

1 Zie: J. Ratzinger, Eschatologie (Kleine kath. Dogmatik IX), Regensburg 61990, 105f.
2 Ratzinger, Eschatologie, 112.
3 Noot vertaler: 339 tot 397 na Chr.
4 De Abraham 2,9,66 (Vertaling: K. Gamber, Lichtglanz aus der Höhe, Regensburg 1988, 35).
5 Zie: De monogamia 11.
6 Enarrationes in Psalmos 129,8.
7 Homilia 31,3 in Mat. (Vertaling: BKV Chrysostomus II, 203f.)
8 C. Gnilka, Chrêsis. Die Methode der Kirchenväter im Umgang mit der antiken Kultur I, 2. erw. Aulf. Basel 2012, 171.
9 Zie: W. Gessel, Begräbnissitten und Totenglaube: D. Zeller (Hg.), Christentum I. Von den Anfängen bis zur Konstantinischen Wende, Stuttgart 2002, 450.
10 Zie: Gessel, Begräbnissitten, 449.
11 Zie: Gessel, Begräbnissitten, 451 Anm. 72.
12 K. Gamber, Eine frühchristliche Totenmesse aus Aquileja: Heiliger Dienst 36 (1982) 117 124; K. Gamber, Lichtglanz, 34.
13 Zie: Ratzinger, Eschatologie, 105, 108.
14 Zie: E. Dassmann, Jenseits: C. Christlich: Reallexikon für Antike und Christentum 17 (1996) 345f.
15 G. H. Baudry, Handbuch der frühchristlichen Ikonographie. 1.   7. Jahrhunders, Freiburg i. Br. 2010, 218.
16 Noot vertaler: circa 150 tot 215 na Chr.
17 A. Struiber, Refrigerium interim, Die Vorstellungen vom Zwischenzustand und die frühchristliche Grabeskunst (Theophaneia 11), Bonn 1957, 201.
18 Zie: Struiber, Refrigerium interim, 201.
19 Zie: Struiber, Refrigerium interim, 202.
20 Zie: Ratzinger, Eschatologie, 183.
21 Noot vertaler: circa 200 tot 258 na Chr.
22 Ratzinger, Eschatologie, 183.
23 Ratzinger, Eschatologie, 183. Zie ook: Cyprian, epistula 55,20.

zaterdag 25 oktober 2014

De hoop op opstanding en de voorstellingen van het hiernamaals in de vroege Kerk (3)

Prof. Dr. theol. habil. Michael Fiedrowicz

Bezwaren van de heidenen en antwoorden van de apologeten

Voor christenen was deze correspondentie van vraag en antwoord, van zoektocht en vervulling, redelijk. Was ze dat ook voor de ongelovigen? “Op geen punt wordt zo heftig, zo verbitterd, zo volhardend, zo agressief het christelijk geloof weersproken als in de opstanding van het vlees”, klaagde Augustinus1. Reeds Paulus had zoals bekend in zijn rede op de Areopaag de spot van de inwoners van Athene op dit punt van zijn verkondiging leren kennen: “Daarover willen wij u een andere keer horen...” (Handelingen 17,32). Dit artikel van het christelijk Credo was onverenigbaar met de antieke voorstelling van een onsterfelijke ziel, die alleen voor een bepaalde tijd in het lichaam zou terugkeren, totdat zij uiteindelijk weer van de last van het lichaam zou worden bevrijd. Sōma   sēma, het lichaam – een kerker, luide een bekend platonisch woordspel. Er gold dus het devies “al het lijfelijke is te ontvluchten.”2 Het moet dan ook absurd voorkomen dat de christenen van God verwachten dat hij de minderwaardige materie in de eeuwigheid zou bewaren.3 Celsus verachtte deze overtuiging als “een hoop, die welhaast voor wormen passend is. Want welke menselijk ziel zou er nu nog naar een verweesd lichaam verlangen?”4 Om een lijfelijke opstanding ad absurdum te voeren, hadden heidense critici bijvoorbeeld het probleem van het kannibalisme opgeworpen, in wiens lichaam zou dan het verteerde mensenvlees weer opstaan. Ook werd het geval van een schipbreukeling geconstrueerd, die door de vissen werd opgegeten, die weer werden gevangen en verteerd. Vervolgens werd ook deze visser gedood en door honden opgegeten, die vervolgens dood gingen en weer door raven en gieren werden opgegeten. Hoe zou hier nog een identiteit van het opgestane lichaam voorstelbaar zijn? Het apologetische argument van de almacht van God, die ook verstrooide of opgeloste elementen van het lichaam weer zou kunnen verenigen, overtuigde de heidense denkers amper, omdat ook God niet tegen de orde van de natuur zou kunnen handelen.5
 
Paulus op de Areopaag (1515, Raphael, bron: Wikimedia Commons)
De apologeten waren zich er ten zeerste van bewust dat de verdediging van de christelijke opstandingsleer tot de moeilijkste opgave van de geloofsbezinning behoorde.6 Ten eerste werd het begrip van de goddelijk almacht verduidelijkt, die hoewel niets onmogelijks en onlogisch vermocht, echter wel de normale mogelijkheden van de natuur zou kunnen overstijgen. Zo liet zich de menselijke natuur door God tot een hogere zijnsvorm verheffen.7 Origenes verdedigde de vergeestelijkte gestalte van het opgestane lichaam tegenover een al te materialistische voorstelling.8 Athenagoras9 voerde in zijn geschrift “De resurrectione” het systematische bewijs dat eerst met de opstanding van het lichaam het heil van de mensen volkomen gerealiseerd zou zijn, omdat deze zich niet op de ziel laat reduceren, maar vanuit haar wezen als vereniging van lichaam en ziel bestaat. De meest uiteenlopende uit de natuur ontleende analogieën – zoals het binnentreden van de mens in het zijn, het ontwaken uit de slaap, het vergaan en weer opbloeien van een zaadje, het einde en het nieuwe begin van de jaargangen en van de dag, de opgang van de zon en de nieuwe maan – dienden als filosofische argumenten om de opstandingsgedachte het karakter van het tegennatuurlijke te ontnemen.10 Echter precies deze afhankelijkheid van de in de stoïsche kosmologie ontvouwde “wetmatigheid van het terugkeren” was niet zonder gevaar. “Aldus moet men”, zo concludeerden veel heidenen, “telkens weer sterven en altijd weer opstaan?”11 Als reactie op de stoïsche voorstelling van een eeuwig terugkeren benadrukte de christelijke apologeten de eenmaligheid van het opstandingsgebeuren. Maximus Confessor12 bekritiseerde het heidense idee van opeenvolgende geboorten als “het onsterfelijk maken van de dood.”13 Augustinus riep met het oog op het cyclische geschieddenken van de heidenen triomferend uit: circuitus illi iam explosi sunt   “die kringloop heeft nu een einde gevonden.”14 Andere apologeten zetten zich in om de christelijke positie af te grenzen van de platonische herbelichamingsleer (Metempsychosis / Metensomatosis). Volgens deze leer zou de menselijke ziel na zijn dood het lichaam van hetzij een ander mens of van een ander dier binnengaan. Maar aan de andere kant werd hier juist vanuit filosofische vooronderstellingen ook gewezen op de mogelijkheid van een lichamelijke opstanding. Het lukte Augustinus zeer goed de christelijke opstandingsleer als synthese te presenteren van dat wat de platonische en de porphyriaanse posities aan waarheid bevatten. Tegenover Porphyrius,15 die een onthechting van de ziel van al het lichamelijke bepleitte, had Plato daarin gelijk dat de ziel naar een herbelichaming streeft. Porphyrius had echter aan de platonische reïncarnatieleer terecht bekritiseerd dat er voor de ziel een definitieve bevrijding van de vergankelijkheid zou moeten zijn.16 Waar geluk wil eeuwigheid. “Want hoe kon dat een ware eeuwigheid zijn”, vraagt Augustinus, “wanneer op deze eeuwigheid niet kan worden vertrouwd?”17 Op deze manier kon de denkmogelijkheid van een lichamelijke opstanding vanuit filosofische uitgangspunten worden bewezen, haar werkelijkheid werd bevestigd door de autoriteit van de Heilige Schrift. Tot zover het debat van het christendom met de bezwaren en tegenposities van de filosofie.
 
Omdat de christelijke eschatologie een nieuw bewustzijn van de eenmaligheid van het menselijke bestaan schiep, het bij elkaar horen van lichaam en ziel verdedigde en het voorbestaan van de persoonlijke identiteit verzekerde, werd een tot dan toe onbekende waardering van de individualiteit van de mensen bereikt. De christelijke opstandingsleer was een indrukwekkend alternatief voor de onsterfelijkheids- en reïncarnatievoorstellingen van de filosofie van die tijd. Dit temeer omdat de mens om dit doel te bereiken niet op zijn eigen krachten werd teruggeworpen, maar van God zelf de mogelijkheid hiertoe ontvangt.
 
Echter van nog een andere kant werden de eschatologische opvattingen van de vroege christenen ter discussie gesteld. Tertulianus18 bekende aan het eind van de tweede eeuw dat de christelijke voorstelling van gerecht, de hel en het paradijs heel veel weg hadden van de motieven van de heidense gedichten, zo veel zelfs dat deze doorgaans alleen nog maar tot hilariteit konden leiden19. Inderdaad hadden antieke auteurs van de eerste eeuwen voor en na christus ervoor gezorgd dat niemand meer in de oude folkloristische fabels van de onderwereld geloofde20. Geen oude vrouw is zo zwakzinnig, zei Cicero21, dat zij nog bang is voor “de Acherontische diepe regionen van Orcus, het bleke, door duisternis omringde rijk van de dood”22. Dat er manes zijn – geesten van de overlevende –, schreef de romeinse satiricus Juvenalis23, en onderaardse rijken, zwarte kikkers in de Stygiaanse afgrond, en dat zo vele duizenden in een bootje over het water worden gezet, dat geloven zelfs van de kinderen alleen de allerkleinste, die nog geen toegangsgeld voor de badhuizen moeten betalen24. In zijn geschrift “over het bijgeloof” rekende Plutarchus25 tot deze hersenspinsels de voorstellingen van de diepe poorten van Hades, van vuurstromen, van een duisternis waar boemannen verschijnen en zielige geluiden zich laten horen, van rechters en beulen, van met duizenden kwalen gevulde ravijnen en afgronden.
 
Ongetwijfeld golden deze kritische uitingen alleen voor de overdreven grove voorstellingen van het hiernamaals. Verder mag niet worden vergeten dat verlichte denkers zoals de geciteerde schrijvers vaak maar al te gemakkelijk geneigd waren alleen de in haar eigen kringen heersende meningen als de redelijkerwijs enig mogelijke en bijgevolg algemeen aanvaarde te beschouwen. Bovendien werden al heel snel door de christelijke theologen de Bijbelse beelden die over het hiernamaals spaken, zodanig geïnterpreteerd dat al te letterlijk-naïeve voorstellingen uitgesloten werden. Had bijvoorbeeld de heidense polemicus Celsus aan het einde van de tweede eeuw nog de spot ermee gedreven dat naar zijn mening de christenen zich het wereldgericht zo voorstelden alsof God “net als een kok vuur maakt om de gehele overige mensheid met uitzondering van de christenen daarin te braden”26, zo corrigeerde Origenes in zijn apologetische repliek “contra Celsum” soortgelijke misverstanden door een ter zake kundige hermeneutiek van de bijbelse symboliek. Belangrijke afbeeldingen van Tartarus of de Hel zijn uit vroegchristelijke tijd niet behouden gebleven. De vroegste getuigen hiervan stammen pas uit de 8e en 9e eeuw27.
 
Sint Johannes Chrysostomus (Hagia Sophia in Constantinopel, bron Wikimedia Commons)
Bisschop Johannes Chrysostomus28 verwachtte overigens van zijn gelovigen uitdrukkelijk een apologetische competentie aangaande de christelijke eschatologie. Met betrekking tot het woord van de eerste brief van Petrus “Weest altijd tot verantwoording bereid aan iedereen, die u rekenschap vraagt van de hoop, die in u leeft.” (1 Petr. 3,15) vraag hij “Wat echter, wanneer een heiden vraagt wat eigenlijk de opstanding is? En wanneer in dit lichaam, waarom dan het bederf? Wat zult gij hierop zeggen?” Net zoals de artsen en handwerkers hun kunst en vakmanschap verstaan en daarover uitleg kunnen geven, moeten ook de christenen in staat zijn, van hun hoop een redelijke rekenschap te geven.29
 

1 Enarrationes in Psalmos 88, s. 2,5. Over het volgende zie: M. Fiedrowicz, Apologie im frühen Christentum. Die Kontroverse um den christlichen Wahrheitanspruch in den ersten Jahrhunderten, Paderborn 32006, 269 271; M. Fiedrowicz, Christen und Heiden. Quellentexte zu ihrer Auseinandersetzung in der Antike, Darmstadt, 2004, 517-530.
2 Porphrius, geciteerd door Augustinus, de civitate Dei 10, 29.
3 Zie: Origenes, contra Celsum 5, 14; 8, 49.
4 Origenes, contra Celsum 5, 14.
5 Zie: Fiedrowicz, Apologie, 269.
6 Zie: Fiedrowicz, Apologie, 270f.
7 Zie: Origenes, contra Celsum 5, 23; Augustinus, de civitate Dei 22, 25.
8 Zie: Origenes, contra Celsum 5,18 19; 7,3.
9 Noot vertaler: circa 133 tot 190 na Chr.
10 Zie: E. Ahlborn, Naturvorgänge als Auferstehungsgleichnis bei Seneca, Tertullian und Minucius Felix: Wiener Studien 103 (1990) 123 137.
11 Tertullianus, apologeticum 48, 10.
12N oot vertaler: 580 tot 662 na Chr.
13 Maximus Confessor, epistula 7. Zie: H. De Lubac, Glauben aus der Liebe, Einsiedeln 1970, 124; C. Schönborn, Existenz im übergang, Eindsiedeln o.J., 100 122.
14 De civitate Dei 12, 21. Zie: Lubac, Glauben, 125; Schönborn, Existenz, 121.
15 Noot vertaler: circa 234 tot 305 na Chr.
16 De civitate Dei 22, 27.
17 De civitate Dei 12, 14.
18 Noot vertaler: circa 160 tot 230 na Chr.
19 Zie: Apologeticum 47, 11 13.
20 Zie: Friedländer, Sittengeschichte III, 316.
21 Noot vertaler: 106 tot 43 voor Chr.
22 Tusculanae Disputationes 1, 48.
23 Noot vertaler: circa 60 tot 140 na Chr.
24 Saturae 2, 149 150.
25 Noot vertaler: circa 46 tot 120 na Chr.
26 Origenes, contra Celsum 5, 14.
27 Zie: Lexikon der christlichen Ikonographie, Freiburg i. Br. 1970, 2, 314 (B. Brenk, Hölle)
28 Noot vertaler: circa 345 tot 407 na Chr.
29 Homilia 17, 3 4 in Joannem.

zaterdag 18 oktober 2014

De hoop op opstanding en de voorstellingen van het hiernamaals in de vroege Kerk (2)

Prof. Dr. theol. habil. Michael Fiedrowicz

Het nieuwe van de christelijke opstandingsboodschap

Verrijzenis van Christus (16e eeuw, olie op hout, omgeving
van Christoph Schwarz, bron: Wikimedia Commons)
“Maar neen, Christus is van de doden verrezen, als Eersteling onder hen, die ontslapen zijn”, schreef Paulus aan de Korintiërs (1 Kor. 15, 20). Anders als bij zo vele mysteriegodsdiensten, die eveneens van gestorven en opgestane goden spraken, gaat het hier niet om een louter symbool, om de gepersonifiseerde uitdrukking van een terugkeer van de natuur naar de werkende krachten van het voorjaar na een verlammende winter. Veelmeer gaat het volgens het geloof van de christen om een historische gebeurtenis, waarvan getuigen zijn, die met de opgestane gegeten en gedronken hadden en die zich voor de waarheid van hun boodschap zelfs lieten doden.

Reeds Origenes1 weerlegde begin van de derde eeuw de later ook door de godsdienstcritici van de verlichting geponeerde bewering, dat de apostelen “bedrogen bedriegers” zouden zijn geweest. Door een charlatan, Jezus geheten, zouden de apostelen drie jaar lang zijn bedrogen. Door de dood van Jezus gedesavoueerd, zouden de apostelen, om hun vergissing te verbergen, na de executie de boodschap hebben verspreid dat Hij opgestaan zou zijn en aan hen verschenen. Wie zou voor zo een leugen zijn leven op het spel zetten, zoals de apostelen gedaan hadden, die zich voor hun getuigenis zelfs lieten doden, vroeg Origenes.2 De bereidheid tot het martelaarschap van de eerste leerlingen en christenen werd tot een belangrijk apologetisch argument voor de juistheid van de opstandingsboodschap.

“Waar de Christenen hun vertrouwen aan ontlenen, is de opstanding van de doden. Door haar zijn wij gelovigen geworden”, constateerde rond 200 na Christus de Noord-Afrikaanse kerkelijke schrijver Tertullianus.3, 4 Met deze woorden zinspeelt hij erop hoe voor veel mensen uit de Oudheid de christelijke opstandingsboodschap een belangrijk algemeen bekend motief voor hun bekering tot het christendom was.5

Hoe sterk de vroegchristelijk hoop op opstanding in de verrijzenis van Christus was gegrondvest en in de opgestane de garantie en wegbereider van de eigen opstanding zag, toont zeer mooi het overlijdensgebed, dat Gregorius van Nyssa6 zijn zuster Macrina in de mond legt:

“Heer, Gij hebt ons de angst voor de dood weggenomen. Gij hebt het einde van het aardse leven tot begin van het ware leven gemaakt. Gij laat het lichaam een tijdlang in slaap rusten en wekt haar weer door bazuingeschal tot het laatste gericht.

Gij geeft ons lichaam, door Uw handen uit aarde gevormd, de aarde tot zorg, en wat U haar gaf, vordert U weer terug en verandert in onsterfelijke heerlijkheid wat aan ons sterfelijk en mismaakt is. Gij hebt ons aan de vloek en de zonde ontrukt, omdat Gij beide voor ons geworden bent.

Gij hebt de kop van de draak vertrapt, die de mens met zijn bek in de afgrond van de ongehoorzaamheid wilde meesleuren.

Gij hebt de poorten van de hel afgebroken. Gij hebt de vorst van de dood teniet gedaan en ons zo de weg naar de opstanding gebaand. Zij die u vrezen, gaf U een teken: Uw heilig Kruis, tot de overwinning van de vijand en tot bescherming van het leven.”7

De bevrijding van de dood, vanuit de godsdiensten van de oudheid bezien en door de mysteriecultussen beloofd, bezat dus een unieke garantie in de opstanding van Christus. Welke beelden, symbolen en begrippen gebruikten de christenen van de eerste eeuwen om dat “wat geen oog ooit gezien, geen oor ooit gehoord had” voorstelbaar te maken?

De Herder (Catacomben van
Priscilla, bron: Wikimedia Commons) 
De oudste christelijke beeldhouwwerken bevinden zich op sarcofagen uit de derde eeuw. Tot het beeldcanon behoren drie figuren: de herder, de biddende en de filosoof. De drie figuren geven antwoord op het ter discussie stellen van het mens-zijn door de dood.8 De betekenis van de eerste twee figuren, oersymbolen reeds in de catacombenschilderingen, is vrij duidelijk. In de goede herder en de zogenaamde orante, een biddende vrouwengestalte, belichaamt zich het idee van het ware paradijs dat de mensheid verloren is gegaan en door Christus terug is geschonken. De woorden van psalm 23 “De Heer is mijn herder..., al moet ik ook wandelen in het dal van de doodsschaduwen, ik ben niet bang voor onheil” vinden in Christus haar vervulling. Hij is het die de ziel van de gestorvenen in het paradijs terugvoert. De biddende vrouwengestalte is het kwintessens van het menselijk noodgebed om redding van de dood en verwijst ook naar het gebed dat de ziel op haar reis begeleidt en haar beschermt. “Uit het idee van de overwinning op de dood – concreet gesproken uit het geloof aan het herwonnen paradijs – is de christelijke kunst ontstaan.”9

De filosoof (waarschijnlijk sint Paulus,
bron Wikimedia Commons)
Welke betekenis echter heeft de filosoof in deze samenhang? Het reeds van heidense sarcofagen overgenomen motief – zinnebeeld van de “artistieke persoon (moesikos anēr)”, die zich door vorming en verfijning van zijn geest onsterfelijkheid heeft verdiend en zijn ziel veredelt, doordat hij haar aan de ketenen van de materie heeft ontrukt10 – wil zeggen: de christen is de ware filosoof, want hij heeft kennis van het geheim van de dood: wie in het aardse leven hopend en biddend de handen omhoog heft tot de reddende God, die wordt in zijn doodsuur door de goede herder thuisgehaald. De boekrol in de hand van de gestorvene bevat niet meer de wijsheid van Plato of de zielsveranderingsleer van Pythagoras,11 maar de ware filosofie van het evangelie. Dit boek schenkt de lezende de openbaring van het ware paradijs. “De inhoud van de ware filosofie is in twee symbolische figuren gevat: biddende mensheid – reddende god. In het midden tussen deze twee polen weet zich de christelijke filosoof. Het weten daarom is het geheim van zijn filosofie.”12

Dezelfde symbooltaal spreekt het kort voor 200 ontstane grafschrift van de Phrygische romepelgrim Abercius: “Ik ben jongeling van de heilige Herder, die zijn kudde weid op bergen en in dalen. Hij heeft mij... betrouwbare kennis geleerd.”13 Betrouwbare kennis, grámmata pistá, over dat, wat aan de andere kant van de drempel des doods de mensen te wachten staat. De geleerde benedictijn en latere kardinaal Pitra (19e eeuw) breidde deze uitdrukking op basis van Johannes 6, 69 (“Gij hebt woorden van eeuwig leven”) zelfs uit tot Grammata pistá: betrouwbare kennis van het leven.14 Deze onvergelijkbare zekerheid, die uit de literaire bronnen en de vroeg christelijke beeldhouwkunst spreekt, ontging ook de heidenen niet. In de dialoog “Octavius” van Minucius Felix (1e helft van de derde eeuw) was voor de Heiden Caecilius deze geloofszekerheid van de christenen zo geprononceerd, dat “men haast van mening kon zijn, zij hadden reeds een opstanding achter zich!”15 In het “handboek van de oud-christelijke epigrafie” schreef in 1917 Carl Maria Kaufmann: “Wie zich door de religieuze onzekerheid en troosteloosheid van de heidense grafschriften heen werkt, wie de gehele onsamenhangendheid en veelvormigheid van het latere mysteriewezen in het religieus syncretisme van de vroege keizertijd beziet, die ontmoet als een onvatbaar wonder het credo van de oervaders wanneer hij afdaalt in de necropolissen met hun gedenkmonumenten van de gelijktijdige christenheid. ... Niets klinkt waardiger, duidelijker, overtuigender als de monumentale taal van die stenen, waarin de dode of overlevende haar belijdenis en de zekere hoop optekenen liet...”16

Drie jongelingen in de vuuroven (Catacomben van Priscilla, bron: Wikimedia Commons)
Dit hier omschreven contrast tussen onzekerheid en zekerheid resulteert niet ten laatste daaruit, dat de christen, in het beeld van de filosoof afgebeeld, in zijn Boek niet alleen woorden, maar ook daden en gebeurtenissen vond, die zijn zekerheid rechtvaardigde. In het Oude Testament vond hij voorbeelden van verhoorde smeekgebeden. Het Nieuwe Testament stelde hem zekere garanties van goddelijke redding voor ogen. In de kunst weerspiegelt zich dit in een bijbelse uitbreiding van het thema. Reeds vroeger dan de beeldhouwkunst op de sarcofagen toont zich dit in de catacombeschilderingen. Naast de orante bevinden zich hier Daniël in de leeuwenkuil en de uit de buik van het zeemonster geredde Jona, evenals Noach in de ark, Susanna en de drie jongelingen in de vuuroven. Met al deze figuren wordt niets anders getoond dan dat wat de orante uitbeeld: de goddelijke verhoring van het noodgebed.

Noë in de Ark (catacombeschildering,
bron: Wikimedia Commons)
“De christelijke beelden, zoals wij ze in de catacomben vinden, gaan grotendeels op het in de synagoge ontstane beeldcanon terug, echter geven haar een nieuwe verschijningsvorm. … De gebeurtenis van de redding zoals die van de jongelingen in de vuuroven en van Daniël in de leeuwenkuil laten de opstanding van Christus en onze eigen opstanding doorschijnen. … Zoals al deze beelden op een bepaalde manier opstandingsbeelden zijn, van de opstanding uit gelezen geschiedenis, zo zijn zij juist daarom ook beelden van hoop, die ons de zekerheid van de komende wereld, de laatste komst van Christus meedelen. … De geschiedenis wordt van de opstanding uit opnieuw belicht. En aldus als een weg van hoop begrepen, waarin de beelden ons betrekken. Op deze manier hebben de beeldwerken van vroege kerken over het algemeen een mysterie-karakter, sacramentele betekenis, en overstijgen het didactische element van de mededeling van de Bijbelse geschiedenis.”17

Deze mysteriebeelden geven ook vorm aan de liturgie. In de sterfgebeden van het Rituale Romanum, die op de oudste tijden teruggaan (vroegste bronnen uit de 8e eeuw), wordt gebeden (commendatio animae):

“Bevrijd, o Heer, de ziel van uw dienaar, zoals gij Noë bevrijd hebt van de zondvloed...
Bevrijd, o Heer, de ziel van uw dienaar, zoals gij Daniël bevrijd hebt uit de leeuwenkuil.
Bevrijd, o Heer, de ziel van uw dienaar, zoals gij de drie jongeling bevrijd hebt uit de gloeiende vuuroven...
Bevrijd, o Heer, de ziel van uw dienaar, zoals gij Susanna bevrijd hebt van de valse aanklacht.”

Dit is een zogenaamd paradigmengebed. Paradigma betekend voorbeeld. Het is een “manier van bidden die, in de wetenschap van de aan zichzelf trouw blijvende God, God aan bepaalde heilsdaden herinnert die Hij in het verleden heeft gesteld, om Hem te bidden iets soortgelijk ook in het heden te doen. Het in herinnering roepen van voorbeelden (paradigma's) van vroeger goddelijk heilshandelen rechtvaardigt het vertrouwen dat Diegene die gered heeft, ook nu redt.”18

De centrale nieuwtestamentische afbeelding was reeds in de oudste catacombeschilderingen de opstandig van Lazarus. Zij geeft uitdrukking aan de zekerheid van de opstanding van het lichaam. Anders dan bij alle vroegere verlossingssymbolen treedt nu Christus zelf als de redder van de dood op, wanneer hij het lijk van Lazarus uit zijn grafkamer naar buiten, naar het leven, roept. Precies in deze scene wordt Christus nu vaker zelf als filosoof afgebeeld. Men wilde niet tonen hoe Christus eruit gezien had, maar wie en wat hij is: de volkomen filosoof. Friedrich Gerke scheef in zijn boek “Christus in de laat-antieke beeldhouwkunst” zeer mooi en aanschouwelijk: Christus verschijnt in het gewaad van die Hem geroepen heeft.19 “De filosofie, de zoektocht naar de zin in het aangezicht van de dood, wordt nu voorgesteld als de vraag naar Christus. In de opwekking van Lazarus staat Hij daar als de filosoof die werkelijk antwoordt omdat Hij de dood verandert en zo ook het leven verandert.”20



1 Noot vertaler: 184/185 – 253/254 na Chr.
2 Zie Contra Celsum 1,31; 2,10.12.15f.56; 3,23.
3 Noot vertaler: circa 160 tot 230 na Chr.
4 De resurrectione 1,1.
5 Zie G. Bardy, Menschen werden Christen. Das Drama der Bekehrung in den ersten Jahrhunderten, Freiburg i. Br. 1988, 98, 154f.
6 Noot vertaler: circa 335 tot 395 na Chr.
7 Vita Macrinae 24. Zie ook: A. Hamann, Gebete der ersten Christen, Düsseldorf 1963, nr. 258.
8 Zie J. Ratzinger, Wesen und Auftrag der Theologie, Freiburg 1993, 11f; F. Gerke, Christus in der spätantiken Plastik, Mainz, 31948., 5f.
9 Gerke, Christus in der spätantiken Plastik, 5.
10 Zie: H.I. Marou, Geschichte der Erziehung im klassischen Altertum, München 1977, 195-197.
11 Noot vertaler: Pythagoras (circa 572 tot 500 voor Chr.) leerde de reïncarnatie van de ziel totdat zij onsterfelijk zou worden.
12 F. Gerke, Ideengeschichte der ältesten christlichen Kunst: Zeitschrift für Kirchengeschichte 59 (1940) 1 102, 58
13 Zie: C.M. Kaufmann, Handbuch der altchristlichen Epigraphik, Freiburg I. Br. 1917, 169-180.
14 Zie: Kaufmann, Epigraphik, 174 Anm. 1.
15 Octavius 11,2
16 Kaufmann, Epigraphik, 160.
17 J. Ratzinger, Der Geist der Liturgie, Freiburg i. Br. 62002, 100f.
18 A. Heinz, Paradigmengebet: LthK3 7, 1367
19 Gerke, Christus in der spätantiken Plastik, 8.
20 Ratzinger, Wesen und Auftrag der Theologie, 12.