donderdag 13 september 2007

De Bijbelse zin van het 'Algemeen Priesterschap' der gelovigen en van de uitdrukking 'Volk Gods'

Prof. Dr. Mag. J.P.M. van der Ploeg O.P.
In de jaren voor het 2de Vaticaans Concilie is door allerlei theologen en schrijvers aandacht geschonken aan het 'algemeen priesterschap' der gelovigen. Sommigen gaven de raad deze uitdrukking maar liever niet te gebruiken omdat zij tot misverstand aanleiding kon geven. Het bezwaar was niet geheel zonder grond, zoals vooral nu duidelijk is gebleken. Toch heeft het 2de Vaticaans Concilie in zijn dogmatische constitutie over de Kerk erop gewezen dat ook de leken deel hebben aan de priesterlijke, profetische en koninklijke taak van Christus (no 31;34). In de eerste van twee nieuwe prefaties voor de zondagen van het kerkelijk jaar die geen eigen prefatie hebben, en die onlangs door Paulus VI zijn goedgekeurd, heet het dat het hele Christenvolk 'een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk dat God zich heeft verworven' kan worden genoemd; men wilde deze waarheid blijkbaar naar voren brengen. In het volgende zijn enkele bladzijden gewijd aan de bijbelse oorsprong van uitdrukking en begrip, waarop nog enkele andere beschouwingen volgen. Wanneer in de katholieke Kerk wordt gesproken van een 'priesterschap' der leken, beter gezegd: der gelovigen, d.i. van alle leden der Kerk, alle gedoopten, dan gebeurt dit in aansluiting bij Petrus 2, 5-9 (aangehaald in de bovengenoemde prefatie) en Openbaring 1,6; 5,10; 20,6. Deze teksten weerspiegelen wat in het Oude Testament wordt gezegd in exodus 19, 5-6 en Jesaja 61, 5-6. Beginnen wij daarmee. Israël heeft altijd in de overtuiging geleefd een heel bijzonder door God uitverkoren volk te zijn, 'het' uitverkoren volk. In het Oude Testament blijkt dit op allerlei plaatsen, en het wordt heel sterk naar voren gebracht in het boek Deuteronomium (in het bijzonder in de toespraken die Mozes daar in de mond worden gelegd). Maar daar niet alleen: het hele boek Genesis dient ertoe om te laten zien hoe het in de geschiedenis van het door God geschapen mensdom tot deze uitverkiezing kwam. Het doel der uitverkiezing is in het Oude Testament niet het schenken van rechten of voorrechten, maar: het dienen van God. 'Uitverkiezing' is voor 'dienst'. God 'dienen' wil zeggen: zijn wil volbrengen. deze wil is voor Israël neergelegd in de Wet (torah). God, zo lezen wij in het boek Genesis, probeerde het eerst met het eerste mensenpaar. Zijn wil lag uitgedrukt in één enkel uitdrukkelijk verbod: niet eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Wat men hieronder moet verstaan is niet zonder meer duidelijk; volgens een veel aanvaarde verklaring is 'goed en kwaad' de samenvatting van 'alles', en de kennis ervan de kennis van alles zoals alleen God die heeft. De eerste mens greep naar deze kennis, hij probeerde 'als God' te zijn, hij weigerde in alles ondergeschikt te zijn aan God, hij diende hem niet. De zondvloed kwam en opnieuw werden enkelen uitverkoren: Noë en zijn familie. Maar ook nu kwam uit deze familie geen mensheid voort die God 'diende'. Daarom werden Abraham, Isaac en Jacob uitverkoren om de stamvaders te zijn van èèn enkel volk, niet eens een groot volk, Israël, dat uit all volkeren der wereld uitverkoren zou zijn om Jahwe, de God van Israël en van de wereld, bijzonder en trouw te dienen. De uitverkiezing geschiedde niet op grond van verdiensten of bijzondere kwaliteiten, maar door de vrije en soevereine wil van God. In dit volk werden priesters aangesteld voor de offerdienst. Zij hadden meer te doen dan alleen offers op te dragen, maar dit laatste was toch hun eerste plicht en uitsluitend recht en voorrecht. Zeker het priesterschap heeft in het Oude Testament een ontwikkeling doorgemaakt, en wat zojuist is gezegd was niet vanaf het eerste begin in volle omvang duidelijk, maar zo is het tenslotte in de priesterlijke wetgeving van de Pentateuch vastgelegd. In de boeken van Mozes wordt verhaald hoe God de stam Levi uitkoos voor de dienst in het heiligdom, waarbij de typisch priesterlijke functie (het opdragen der offers) voorbehouden bleef aan bepaalde priesterlijke families in die stam. Om dit priesterlijk dienen aan te duiden, gebruikte het Oude testament het woord qarab dat 'naderen' betekent. De priester 'nadert' tot God op heel bijzondere manier: hij nadert tot zijn altaar, terwijl de anderen zich op een afstand houden. Het van qarab afgeleide woord qoerbaar (korban), qoerbana, is in de syrische kerktaal zelfs de speciale uitdrukking voor 'offerande', 'offer', het H. Misoffer geworden. Groot was de waardigheid van Gods uitverkoren volk, nog groter die van zijn priesters. Zoals de laatsten uit het volk waren uitverkoren om God op bijzondere wijze te 'naderen', te dienen, d.w.z. offers op te dragen, zo was Israël, vergelijkenderwijze gezegd, uit alle volkeren uitverkoren om voor Gods Aanschijn te treden, tot Hem te 'naderen', Hem te dienen. Daarmee was Israël niet in zijn geheel geroepen om typische 'priesterlijke' dienst voor de andere volkeren te verrichten; hieraan dacht men niet. In Jesaja 52,13-53,12 staat te lezen dat de 'dienaar van Jahwe' lijdt voor de anderen, en hierin heeft men in het Jodendom een uitdrukking gevonden van de gedachte dat Israël 'lijdt' voor andere volkeren, maar van priesterschap is geen sprake bij deze uitleg. Men is in Israël nooit verder gekomen dan boven is uiteengezet en daarom heeft zich in het oude Testament, of in het Jodendom, nooit een 'theologie', van het 'algemeen priesterschap van het volk' ontwikkeld. Priesters kunnen volgens de Wet alleen de afstammelingen van Aäron zijn. Wel wordt op twee ver uiteenliggende plaatsen terloops en op overdrachtelijke wijze gesproken van een 'priesterschap' van geheel Israël, ter aanduiding van de bevoorrechte plaats die het heeft onder volkeren. In Exodus 19, 5-6 lezen wij: 'Daarom, als gij wilt luisteren naar mijn (=Gods) stem en indien gij mijn verbond onderhoudt, zult gij onder de volkeren mijn geheel eigen bezit zijn; mij behoort de hele aarde toe. Gij zult voor mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit is wat ge (= Mozes) tot de Israëlieten moet zeggen'. De betekenis van deze woorden is duidelijk: Israël is Gods uitverkoren volk en daarom Gods bijzonder eigendom. Zeker, de hele aarde behoort God toe, maar Israël op een bijzondere manier. De woorden 'koninkrijk van priesters' en 'heilig volk' staan in de aangehaalde tekst parallel en vullen elkaar aan. De priesters zijn op bijzondere wijze 'heilig', d.i. aan God toegewijd. Ook het volk Israël, vergeleken met de andere volkeren, is 'heilig', maar op een andere en meer algemene manier dan de priesters. Dit wettigt de vergelijking: zoals de priesters zich verhouden tot Israël, zo verhoudt zich Israël tot de volkeren. geen priesterschap dus in de eigenlijke, specifieke zin, maar in overdrachtelijke betekenis, gefundeerd op de werkelijkheid van uitverkiezing en (daarop volgend) verbond. Een eretitel, die zijn grond heeft in de realiteit. In de Griekse vertaling van Exodus 23,22, aan het slot van wat de bijbeluitleggers het 'Verbondsboek' noemen (globaal Exodus 20, resp. 21, tot en met 23) worden de woorden van exodus 19, 5-6 herhaald, niet echter in de overgeleverde hebreeuwse bijbel. Wel komt de uitdrukking 'priesters van God' voor in Jesaja 61, (5-)6: 5.Vijanden zullen Uw (= Israëls) kudden hoeden, vreemden zullen voor U ploegen en Uw wijngaard bewerken, 6.maar zelf zult ge 'priesters van Jahwe' worden genoemd, men zal U 'dienaars van onze God' noemen. Ge zult de rijkdom der volkeren genieten... enz. Ook in deze tekst gaat het om de bevoorrechte plaats die Israël onder de heidenen inneemt. van het 'priester' zijn komt een ander aspect naar voren. de stam Levi had geen aandeel gekregen in Israëls grondbezit, maar moest door de andere stammen worden onderhouden. Zo zullen eens de heidenen, aldus het ideale beeld dat Jesaja oproept, het volk Israël verzorgen en onderhouden. Eerst voorwerp van schande wordt het straks voorwerp van eer. Het gaat hier duidelijk om een eretitel, niet om 'theologie', niet over een 'algemeen priesterschap' der niet-priesters. Het Oude Testament kent in Israël geen tweeërlei soort priesters: dat van priesters en 'leken'. Volgens de vaste overtuiging en overlevering van het Nieuwe Testament is de Kerk van Christus het 'ware Israël', 'Israël naar de geest', erfgename der aan het oude volk gedane beloften. Daarom konden de eerste brief van Petrus en het boek der Openbaringen Israëls eretitel 'priesters van God', 'koninkrijk van priesters' overnemen en voor de Kerk en haar leden gebruiken. De Kerk is nu het uitverkoren volk, de gemeenschap van allen die zijn uitverkoren uit alle volkeren om aan God de eer te brengen die hem toekomt na de zoendood en de verrijzenis van zijn Zoon. Zaols eens de Izraëlieten, 'naderden' nu de christengelovigen tot God door en in zijn Zoon Jezus Christus, om hem de verschuldigde eer te brengen. Daarom lezen wij: 'Komt tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen, maar in het oog van God uitverkoren en kostbaar; bouwt U zelf, als levende stenen, op tot een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te zijn, om geestelijke offers op te dragen, die aan God behagen door Jezus Christus' (1 Petrus 4-5) ... 'Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, Gods eigen bezit...' (vs 9). De Kerk wordt in deze tekst een 'huis' genoemd, waarvan de gelovigen de stenen zijn. Zoals men van een grote familie wel spreekt als van een 'huis' (huis van David, van Oranje), zo ook van de Kerk; Israël was een grote familie, waarvan de aartsvader Jacob het 'hoofd' was, de Kerk is de 'familie' waarvan Jezus Christus het hoofd is. De offers van het oude Testament worden er niet meer in opgedragen, maar 'geestelijke', waarmee de 'geestelijke' eredienst der Christenen wordt bedoeld, een uitdrukking die in zeer ruime zin moet worden verstaan. Niet alleen het aan God welbehagelijk leven en de gebeden der christenen behoren hiertoe, maar ook, zoals wij weten, de eucharistische eredienst. Deze dienst is 'priesterlijk', naar analogie van die van Israël in het oude Testament: zij is de dienst van God van de door Hem bijzonder uitverkorenen. In vs 9 is sprake van een 'koninkrijk van priesters', waarmee de priesterlijke eretitel alleen maar wordt versterkt, terwijl de begeleidende uitdrukkingen duidelijk wijzen op het verband met het Oude Testament. In Openbaringen 1,6 heet het verder: '... die ons een koninkrijk maakte, priesters van zijn God en Vader'. Openbaring 5,6 en 20,6 werken het beeld 'koninkrijk' (= het rijk Gods van het nieuwe Testament) nader uit door te zeggen: 'Gij hebt hen tot een koninkrijk gemaakt en tot priesters van onze God en zij zullen regeren op aarde' (5,6); dit 'regeren' wil zeggen dat zij de eersten zullen zijn (in de ogen van God), de leiding hebben (geestelijk). Uit het bovenstaande is het duidelijk dat ook het nieuwe Testament geen bijzonder 'theologie' over het 'algemeen priesterschap der gelovigen' biedt, maar 'priesters' voor de gelovigen gebruikt als een eretitel, ontleend aan het Oude testament, die op reële grond berust: de uitverkiezing. Het is tevens gebleken dat de uitdrukking 'volk Gods', voor de Kerk gebruikt in het documenten van het 2de Vaticaans Concilie end oor onwetenden als nieuwigheid begroet, geen nieuwe en bijzondere uitdrukking, resp. titel is, maar teruggaat op het Oude Testament. Zij drukt in het Christendom de overtuiging uit, dat de Kerk van Christus de erfgename is, de enige en de volledige, van de aan het oude Israël gedane beloften en gegeven voorrechten. Eens was Israël het 'volk Gods'; nu is het de Kerk. Van dit geloof leggen o.a. vele teksten der oude Latijnse liturgie getuigenis af. 'Uitverkorenheid' mag de moderne mens vreemd, misschien zelfs onaanvaardbaar inde oren klinken, omdat zij in strijd lijkt te zijn met zijn ideaal van gelijkheid van allen. Zij is echter een vaststaand feit van de bovennatuurlijke orde, dat men niet kan verwerpen zonder daarmee het christelijk geloof te verwerpen. Zij roept op tot dienst van God en al wat dit inhoudt. Zij is ook middel om het geloof aan alle mensen te brengen waardoor de principiële gelijkheid van allen voor God, die hierin bestaat dat allen tot het heil geroepen zijn, tot haar recht kom. Men wordt lid van de kerk, het 'volk Gods' door het doopsel. Het toedienen van dit sacrament is geen louter symbolische daad, maar zinnebeeld en instrument van bovennatuurlijke werkelijkheid. Door het doopsel wordt de zondaar een nieuwe mens, hij wordt 'herboren' (Joannes 3,3) 'uit water en de H. Geest'. Door het doopsel wordt de christen in de Kerk ingelijfd; het stelt hem instaat deel te nemen aan de christelijke eredienst, die culmineert in de viering der eucharistie, waarin Christus' kruisoffer telkens tegenwoordig is. Dat met het bovenstaande geen priesterlijke functie in de eigenlijke zin wordt bedoeld is o.a. door Pius XII in zijn encycliek over de liturgie (Mediator Dei, van20.11.1947) duidelijk en prachtig uiteengezet. Het door de sacramentele oplegging der handen in de kerk verkregen priesterschap is, zo lezen wij daar, een deelhebben aan het priesterschap van Christus, die de Middelaar, de enige (1 Timotheus 2,5), is tussen God en de mensen. Aan dit middelaarschap in de eigenlijke zin van het woord heeft de gewijde priester deel, en niet de (andere) gelovigen. de gewijde priester is op zijn beurt middelaar tussen hen en God: 'hij gaat dus naar het altaar als de bedienaar van Christus, beneden Christus staande, maar boven het volk. Het volk daarentegen vertegenwoordigt onder geen opzicht de Persoon van de goddelijke Verlosser en is geen bemiddelaar tussen zichzelf en God, kan dus geen enkele wijze priesterlijk recht bezitten' (Mediator Dei, deel 2, II). 'Dit alles – vervolgt de encycliek – staat vast met geloofszekerheid, maar daarnaast moet men zeggen dat ook de gelovigen het goddelijk slachtoffer opdragen, maar onder een ander opzicht'. Zij doen dit, zo staat er verder, door hun verlangens (Innocentius III heeft hierop gewezen), door in te stemmen met Christus' offer, en door zichzelf mede op te offeren (S. Robertus Bellarminus). Verder door afwisselend en samen met de priester te bidden, (soms) door het brood en de wijn voor het Misoffer aan te bieden en (vaak) door hun aalmoezen (aangeboden voor het levensonderhoud van de priester bij het opgeven van een 'Misintentie'). De priester handelt immers altijd 'in de Persoon van Christus als Hoofd (der Kerk), die in naam van alle ledematen offert. Daarom zegt men terecht,d at heel de Kerk door Christus de opoffering van het Slachtoffer volbrengt'. Voorts verenigen de aanwezige gelovigen zich door hun 'wensen om te loven, te smeken, vergeving te vragen, te danken ... met de wensen en de intentie van de priester, ja van de Hogepriester zelf', met de bedoeling dat ook zij door de offerhandeling van de priester aan de eeuwige Vader worden aangeboden. 'Het offer der nieuwe Wet betekent die hoogste verering, waarmee de Offeraar zelf, n.l. Christus, en met Hem en door Hem al Zijn mystieke ledematen op de passende wijze eer brengen aan God.' Laat ons de gedachten van de encycliek samenvatten. de gelovigen offeren mee 9en oefenen daarmee hun 'algemeen priesterschap 'uit) door alles waardoor zij innerlijk en uiterlijk aktief deelnemen aan de door de priester voltrokken ceremonie, en verder door hun eenheid met de Hogepriester Christus in zijn mystiek Lichaam. Zij offeren echter niet zoal de gewijde priester, die persoonlijk de plaats van Christus inneemt. De priester is (op zijn manier) middelaar tussen de gelovigen en God, de gelovigen kunnen onmogelijk middelaar zijn tussen zichzelf en God. Een middelaar is altijd een ander, een derde, terwijl het middelaar zijn essentieel is aan het priesterschap in eigenlijke zin. Uit dit alles blijkt dat het niet juist is als de 'nieuwe katechismus' zegt: 'Ja, het christelijke priester-zijn is allereerst die priesterlijkheid die alle gelovigen samen bezitten' (blz. 409), of 'er is maar een priesterschap: dat van Jezus Christus. In dit ene priesterschap deelt het volk Gods. Het algemeen priesterschap is dus waar het om gaat' (blz. 426). zo zou men kunnen denken dat het door de wijding ontvangen priesterschap alleen maar een speciaal geval van het álgemeen priesterschap' is, een ernstige dwaling die schrijver dezes onlangs zelfs in een kerkelijk blad in India vond ('The Examiner', van Bombay), daar natuurlijk vanuit het westen geïmporteerd. Het 'algemeen priesterschap' der gelovigen is 'priesterschap' in afgeleide, men kan zelfs zeggen oneigenlijke, zin. waar het allereerst om gaat, is om het priesterschap in niet afgeleide, eigenlijke, zin. Dit is duidelijk genoeg. De in de nieuwe katechismus verkondigde dwaling hangt samen met de opvatting dat het 'volk Gods', resp. de 'gemeente' prioriteit zou hebben boven de leiding, de hiërarchie, in zover de 'gemeente' aan de hiërarchie gezag zou kunnen verlenen en deze laatste zelfs de opvattingen der 'gemeente' als 'geloofsopvattingen' (veranderlijk naar plaats en tijd) moet registreren, als het 'geloof' der Kerk, norm voor allen. De dwaling hangt kennelijk ook samen met de door P. Schoonenberg, B. Willems en anderen verkondigde opvatting dat de door Christus aan het kruis voor ons verworven verlossingsgenade (voor zover zij daarvan nog willen spreken) niet meer op speciale manier op ons moet worden toegepast (hetgeen geschiedt door de H. Mis en de Sacramenten). De priester is dan als 'uitdeler van Gods geheimnissen' overbodig. Hij is een beambte van de 'gemeente', hij kan ook zonder wijding 'voorgaan in de eucharistie', zoals het rapport over 'het ambt' ingediend bij het z.g. pastoraal concilie van Noordwijkerhout niet heeft geschroomd te zeggen, daarmee de hele bovennatuurlijke en sacramentele opvatting van het katholiek priesterschap van de hand wijzend. Tenslotte hangt genoemde opvatting weer samen met de gedachte dat er helemaal niet zoiets is als echte bovennatuurlijke genade, waardoor God ons geheel zelfstandig schenkt wat wij uit onszelf niet hebben (in zijn rede: God of mens, een vals dilemma, 1965, heeft P. Schoonenberg dit uitdrukkelijk verkondigd). Allerlei dwalingen van de nieuwe katechismus en van hun auteurs hangen samen als één geheel en daarom is het dat de laatsten hardnekkig en met verbetenheid weigerden de correcties en aanvullingen der pauselijke kardinalencommissie te aanvaarden. zij willen de fundamentele onjuistheid en onkatholiciteit hunner theologie niet erkennen. Nog een laatste beschouwing. In de voorgaande bladzijden is gezien dat de uitdrukking 'volk Gods' op bijbelse grondslag berust en aan de H. Schrift is ontleend; zonder deze laatste zou zij zo goed als zeker nooit zijn gebruikt. men zal haar dus altijd in dit licht moeten bezien. Dit 'volk Gods' is bovendien het 'mystiek lichaam van Christus'; het bezit een hiërarchisch priesterschap, dat op uitzonderlijke wijze is verbonden met dat van Christus, de Middelaar tussen God en de mensen. Het is dus volstrekt onjuist het element 'volk' in deze uitdrukking te zien in het licht van de politieke betekenis die 'volk' in onze tijd heeft. Is voor een volk in politieke zin de 'democratie' ideaal of zelfs eis, dan volgt hieruit nog niets voor het 'volk Gods' (= de Kerk). Want afgezien nog van het feit dat in onze tijd om allerlei redenen 'democratie' meer fraaie schijn dan werkelijkheid is (en vaak moeilijk anders kan zijn), de Kerk is op geheel andere manier 'volk' dan de naties deze wereld. Het begrip 'volk\ berustte in Israël op dat van afstamming: allen werden verondersteld af te stammen van één stamvader; zo vormden de Israëlieten samen één stamvader; zo vormden de Israëlieten samen één grote familie: de zonen ('kinderen') van Israël (= Jacob). Het moderne, Europese natiebegrip is een ander: wat men daar 'volk' noemt is in de loop der geschiedenis tot stand gekomen door gelijke lotgevallen, gewoonten, gebruiken, dikwijls ook dezelfde taal. De Kerk is 'volk Gods' in zover allen daarin bijeenhoren door één Heer, één geloof, één doopsel. Zij is Christus' mystiek lichaam, waarvan Christus het hoofd is. De Kerk is geen 'volk' op natuurlijke of sociale grondslag, maar omdat zij een bovennatuurlijk leven leidt, dat door Jezus Christus, Zoon van God, waarlijk God en waarlijk mens, aan allen toestroomt. Er is dus niet de minste reden om 'democratie' of democratische instellingen voor haar op te eisen op grond van de door het 2de Vaticaans Concilie gebruikte uitdrukking 'volk Gods'.
[Uit: Confrontatie, Maart 1970, No. 58, blz. 7 t/m 15]

donderdag 9 augustus 2007

Boekbespreking – De Breukmis

Prof. J.P.M. van der Ploeg O.P.

V.A. Stuyver, Pr.: De Breukmis -Verzamelde opstellen. Tweede uitg., 199 blz., 24 x 16 cm. Het boek is een dier werken die door een schrijver zelf is uitgegeven; plaats en adres worden niet vermeld.

De reden dat wij dit boek, nu al tien jaar oud, bespreken is, dat de schrijver het ons als present heeft toegestuurd, terwijl wij ook op de inhoud willen wijzen. De priester Stuyver noemt zijn boek De Breukmis, omdat hij van mening is dat de Mis, gevierd volgens de nieuwe Ordo van Paulus VI, geen Mis, geen offer meer is, dus 'ongeldig'. Omdat de vroegere offerandegebeden zijn vervangen door andere die geen offer-offerande meer zijn, is volgens hem de consecratie ongeldig en bijgevolg de hele Mis. Had de schrijver gelijk, dan zou het sacrament der H. Eucharistie in de westerse Kerk, dat is in verreweg het grootste deel van de rooms-katholieke Kerk, zijn verdwenen.

In de ritus der H. Mis zoals die was vastgesteld door de H. Pius V, komen twee offerandegebeden voor: één voor de hostie en één voor de kelk met wijn, die de priester afzonderlijk, na elkaar, aan God opdraagt, in het vooruitzicht dat zij dadelijk het Lichaam en Bloed van Christus zullen worden. Het eerste begint aldus: “Ontvang, heilige Vader, almachtige eeuwige god, deze onbevlekte hostie, die ik, uw onwaardige dienaar, U, mijn levende en ware God aanbied, voor mijn ontelbare zonden, beledigingen en nalatigheden, en voor alle omstanders, ja, voor alle gelovige Christenen, levenden zowel als doden: opdat het mij en hun tot heil strekke voor het eeuwige leven. Amen”. Een veel korter gebed, maar met gelijke strekking, zegt de priester bij de offerande van de kelk met wijn. Daarna spreekt hij nog twee andere gebeden uit, waarin hij God smeekt het offer te aanvaarden dat hij opdraagt ter herdenking van het lijden, de verrijzenis en de hemelvaart van Christus, alsook ter ere van de heilige Maria, Joannes de Doper, Petrus en Paulus en alle heiligen. Hij sluit dit alles met het Orate fratres: “Bidt broeders, dat mijn en uw offer welgevallig zij aan God, de almachtige Vader”. De gelovigen antwoorden: “De Heer aanvaarde het offer uit uw handen tot lof en eer van zijn naam, tot nut van ons en van zijn hele heilige Kerk”.

Uit deze gebeden volgt dat de priester niet bedoelt brood en wijn aan God op te dragen, maar Christus zelf, voor ons geofferd op het kruis. Dit offer gebeurt nu nog niet; de aangehaalde gebeden hebben een zinnebeeldige betekenis en grijpen vooruit op wat dadelijk bij en door de Consecratie, zal geschieden. Alle oosterse riten der Kerk: die der Byzantijnen, Syriërs, Chaldeeën, Maronieten, Kopten, Armeniërs, kennen zulke gebeden, die in het Oosten meestal erg lang en zeer nadrukkelijk zijn. Zij drukken de opvatting uit, die men overal van de viering der Eucharistie heeft: zij is het offer van Christus, waarop de aandacht door de priester al wordt gevestigd vóórdat het offer, door de consecratiewoorden, tot stand komt. De behoefte dit zo te doen is dus in de Kerk algemeen en moet wel voortkomen uit haar geloof, volgens de spreuk: “De wet van het bidden is die van het geloven”.

Het moet daarom ongetwijfeld betreurd worden, dat in de Misritus van Paulus VI van de offerandegebeden alleen het Orate fratres is overgebleven. De andere zijn vervangen door twee korte gebeden van joodse inspiratie, waarin het brood en de wijn aan God worden opgedragen als gaven van God en werk van mensenhanden, met de korte beden dat zij tot brood des levens en geestelijke drank mogen worden. Het Orate frates met zijn antwoorden zijn behouden gebleven. Een bekend nederlands liturgist heeft mij eens gezegd dat de liturgisten, belast met het samenstellen van de hervormde ritus, elke offerande en ook het Orate fratres hadden willen laten vervallen, maar dat Paulus VI dit heeft voorkomen. Het Orate fratres met zijn verwijzing naar het offer bleef behouden, maar in plaats van de lange offerandegebeden kwamen de twee korte nieuwe, waarin de verwijzing naar het offer niet meer voorkomt. Dit was een echte breuk in de traditie der Kerk, van Oost en West, waarvan niemand die het katholiek geloof belijdt het nut vermag in te zien. Het is in strijd zowel met de geest als met de letter van de Constitutie over de Liturgie van Vaticanum II (No. 23).

De priesterlijke gebeden der offerande hebben zich in alle riten der Kerk in de loop der tijd ontwikkeld en zijn ook in de loop der tijd ontstaan, zij het al vroeg. Zo heeft de ritus der Dominicanen, welke die van Zuid-Frankrijk in de 13de eeuw is, wel het gebed Orate fratres (waarop niet wordt geantwoord) maar niet de lange offerandegebeden van de romeinse ritus. De dominicaanse ritus kent slechts een kort gebed, dat de priester uitspreekt wanneer hij brood en wijn samen aan God opdraagt (de kelk met wijn, bedekt door de pateen met hostie), dat luidt: “Wat zal ik de Heer weergeven voor alles wat Hij mij geschonken heeft? De kelk van het heil zal ik nemen en de naam van de Heer aanroepen”. Nu neemt hij kelk en pateen in de handen en bidt: “Aanvaard, heilige Drieëenheid, deze offerande die ik U opdraag ter herinnering aan het lijden van onze Heer Jesus Christus, en geef dat zij voor Uw Aangezicht, U behagend mag opstijgen en het eeuwig heil bewerken van mij en van alle gelovigen”. Dit gebed heeft in wezen dezelfde bedoeling als de romeinse gebeden: de priester geeft te kennen dat hij het offer aan God wil opdragen en doet dit bij voorbaat zinnebeeldig.

De geschiedenis van de ontwikkeling van de romeinse offerande-gebeden is een zaak op zich, die hier niet kan behandeld worden. Het gebed Offerimus, gezegd bij de aanbieding aan God van de kelk met wijn vindt men b.v. voor het eerst pas in een handschrift van de 10de eeuw uit het Rijnland. Het schijnt oorspronkelijk door de diaken te zijn gezegd.

Het is echter volkomen onjuist te beweren, dat zonder offerande geen Consecratie kan plaats hebben, alsof zij daartoe de noodzakelijke inleiding vormt. Dit blijkt al voldoende wanneer wij het begrip 'sacrament' ontleden. Een sacrament is “een zichtbaar heilig teken, waardoor genade wordt aangeduid en gegeven”. Met 'genade' is een bovennatuurlijke werkelijkheid bedoeld. Wanneer de priester de woorden der Consecratie uitspreekt, als heilige woorden van Christus en de Kerk, en de bedoeling heeft daarmee te doen wat de Kerk doet, komt het sacrament der Eucharistie, en bijgevolg ook het offer, tot stand. Die bedoeling moet duidelijk zijn en zij is dat wanneer de consecratiewoorden worden uitgesproken als deel van een geheel waaruit blijkt, dat de priester wil doen wat de Kerk doet. Het gebed van de romeinse canon is hiervoor altijd voldoende geweest, maar ook andere 'canones' zijn mogelijk. De oosterse 'canons', in de griekse ritus treffend anaphora genoemd, (eucharistisch) offer(-gebed), zijn alle verschillend. In de grieks-byzantijnse ritus worden er tegenwoordig drie gebruikt (van Joannes Chrysostomus, Basilius, Jacobus), de chaldeeuwse Kerk kent er drie, de 'zuivere syrische ritus' een groot aantal. De tekst daarvan staat vast en het is niemand geoorloofd eraan te veranderen of andere te maken, resp. die te gebruiken. De aan de Consecratie voorafgaande canongebeden zijn soms zeer kort. In concentratiekampen of gevangenissen, waar de nood zuiver kerkelijke wetten heeft gebroken, hebben priesters soms geldig geconsacreerd en het heilig Offer opgedragen met zéér weinig gebeden en ceremonies, en niemand heeft tot dusver ontkend dat hun geheime en stille vieringen daar geldig waren.

Allerlei liturgisten hebben al vóór Vaticanum II de mening verkondigd dat het niet de consecratie-, resp. de 'instellingswoorden' (de woorden waarmee Jesus de H. Eucharistie heeft ingesteld) zijn, die de Consecratie bewerken, maar de hele canon. In de oude kerk zou men zich niet hebben afgevraagd op welk ogenblik de consecratie van brood en wijn precies gebeurde. Wie bedenkt dat de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus onmogelijk een geleidelijk proces kan zijn, dat beetje bij beetje voortgaat, kan deze mening niet aanvaarden. Wanneer een totale, substantiële verandering plaats vindt, moet deze ineens geschieden; er is geen ogenblik te denken waarin het brood nog voor een deel brood zou zijn, voor een ander deel het lichaam van Christus. Het deert daarbij niet dat men in zekere eeuwen geen getuigenissen kan vinden van kerkelijke schrijvers, waarin het juiste ogenblik der Consecratie wordt aangewezen. Het feit dat de Consecratie ineens gebeurt òf niet, spreekt zozeer vanzelf dat het niet nodig is te spreken over een precies ogenblik. Men wist en beleed, dat het door de eigen woorden van de Zaligmaker gebeurde.

Het is verder algemeen bekend dat in de Kerken van het christelijk Oosten al vroeg de vraag is gesteld, wanneer de Consecratie tot stand komt. Daar is zelfs verschil van mening over ontstaan, naar aanleiding van het feit dat in de oosterse liturgieën na de instellingswoorden de Heilige Geest wordt afgeroepen om neer te dalen, opdat de geheiligde gaven de gelovigen tot voordeel zouden strekken èn (in deze volgorde) om ze te veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus.

Dus géén verandering door de instellingswoorden? Dit volgt niet, omdat in de liturgie wanneer niet alles tegelijk kan worden gezegd of afgebeden, niet zelden nog eens gevraagd wordt wat al is geschied, om duidelijk te maken dat het van God komt. Zo werd in de vóór Vaticanum II nog niet hervormde ritus van de priesterwijding door de bisschop aan het einde daarvan, als de pasgewijden al met de bisschop de H. Mis hadden geconcelebreerd, gezegd: “Ontvang de Heilige geest! Wier zonden gij zult vergeven, hun zijn ze vergeven, aan wie gij ze zult houden, hun zijn ze gehouden”. De priesters kregen hierdoor geen nieuwe macht, de woorden van de bisschop wilden slechts tot uitdrukking brengen welke macht ze, door Christus' instelling, reeds hadden ontvangen. Zo verklaart men ook de z.g. epiclesis, of gebed om de nederdaling van de Heilige Geest. De verandering is geschied door Gods kracht en genade, d.i. door de Heilige Geest, en men wil hierop nog eens uitdrukkelijk wijzen.

De eucharistische epiclesis is in de Kerk zéér oud, ze gaat in het Oosten zeker tot de 4de eeuw terug, zo niet tot de 3de. In het zeer behoudende Rome vond zij na de consacrerende instellingswoorden geen plaats en in het begin vermoedelijk ook niet te Alexandrië. Later zijn veel Oosterlingen gaan denken dat de epiclese hèt ogenblik van de transsubstantiatie aanduidt, ja dat zij er zelfs door wordt teweeggebracht. Zonder hier op deze theologische kwestie te willen ingaan, willen wij aan twee dingen herinneren. Het eerste is, dat men de sterke behoefte heeft gevoeld het ogenblik van de Consecratie nader te bepalen. Het tweede is, dat men zeer oude getuigenissen kan aanhalen, waaruit blijkt dat men overtuigd was dat de Consecratie gebeurde tijdens het uitspreken, door de priester in de persoon van Christus, van de instellingswoorden: “Dit is mijn lichaam ... mijn Bloed”. Men haalt hiervoor een beroemde getuigenis aan van de H. Joannes Chrysostomus (344-407), die in een preek over het verraad van Judas zegt, dat de priester (in de eucharistische liturgie) de woorden uitspreekt, maar dat hun kracht en genade van God komen: “'Dit is mijn lichaam' zegt hij. Dit woord verandert wat vóór hem ligt”. duidelijker kan het niet.

Omdat de Vaders hèt gezag bij uitstek zijn voor de orthodoxe Grieken en Joannes Chrysostomus onder hen een heel belangrijke plaats inneemt, vindt men heden wel Byzantijnen die menen dat instellingswoorden + epiclese = Consecratie. Deze zaak wordt in het boek van Stuyver niet besproken; indien wij het in deze recensie doen, is het omdat de gelegenheid zich ertoe bood. Tevens willen wij uitdrukking geven aan het gevaar, dat degenen die beweren dat de hele canon consecratorisch is en men dus niet naar een bepaald ogenblik daarin moet vragen, de verdenking op zich laden niet te geloven in de werkelijke substantiële verandering van brood en wijn, ook al zeggen zij dit niet. De gedachte dat de Consecratie alleen iets symbolisch is, resp. slechts een verandering van de betekenis van het brood en de wijn waarover de priester de 'instellingswoorden' uitspreekt, die niet in hun diepste innerlijk veranderd worden, is niet pas na het laatste Concilie ontstaan.

Wij wijzen er verder nog op, dat de hervormers der 16de eeuw van de offerandergebeden der H. Mis niet wilden weten, omdat het offerkarakter der Eucharistieviering er zo duidelijk in wordt uitgedrukt. In het missaal van Paulus VI wordt het offerkarakter van de H. Mis vanzelfsprekend niet verworpen en in allerlei vaste en wisselende gebeden vermeld, maar het komt er veel minder sterk naar voren dan in het door de H. Pius V goedgekeurde misboek. In een land als Nederland is de viering der Eucharistie een 'tafelgemeenschap' geworden, een symbolisch gemeenschapsmaal. De oude offerandegedachte wordt daarbij niet uitdrukkelijk ontkend, maar men heeft ze geruisloos laten verdwijnen. Enkelen, waarbij ook veel niet-Katholieken, willen de viering nog wel een 'offer' noemen, maar dan niet in de zin van het Concilie van Trente, dat van een 'verzoenend' (de zonden vergevend) offer spreekt. Zij willen alleen spreken van een 'lofoffer' (een uitdrukking die in de liturgie herhaaldelijk wordt gebruikt en waartegen geen enkel bezwaar is te maken): de lofprijzing die de Christen aan God opdraagt, ja zijn hele leven dat hij in de dienst van God doorbrengt (zie Romeinen 12, 1). Dit lofoffer moeten wij allen aan God opdragen, zeker. Maar de H. Mis is méér. In alle riten der Kerk, zowel in die van het Oosten als die van het Westen, wordt zij een offer dat de zonden vergeeft genoemd. Teksten aanhalen zou hier hetzelfde zijn als open ramen inslaan. Het is tegen het karakter van de H. Mis als verzoenend offer dat de hervorming van de 16de eeuw zich zo eenstemmig heeft gekeerd. Omdat deze op dit punt een echo vindt in het modernisme van onze tijd (hoewel op geheel andere gronden), kan men op deze algemene en aloude kerkelijke leer niet genoeg de nadruk leggen. Die nadruk krijgt het in de offerandegebeden die vóór 1969 vele eeuwen lang in gebruik zijn geweest. Ook daarom is het bijzonder spijtig (om geen ander woord te gebruiken), dat zij uit de H. Mis van Paulus VI zijn verdwenen.

Besluit. Wij wijzen de in het voorafgaande uiteengezette voornaamste stelling van Stuyver: geen geldige Mis zonder offerandegebeden, volstrekt af. Zij is niet in overeenstemming te brengen met de katholieke leer der sacramenten. Laat niemand er zich dus door laten verontrusten en gaan denken dat het Heilig Misoffer nu in de Kerk van het Westen haast overal is verdwenen, nog wel met goedkeuring en op voorschrift van het Hoogste Gezag! Zou dit waar zijn, dan zou God zijn Kerk hebben verlaten, in strijd met de plechtige belofte: “Zie Ik ben met u tot het einde der tijden” (Mattheüs 28, 20).

[Katholieke Stemmen, Februari 1985, Jaargang 14, nr. 2, blz 106-111]

dinsdag 5 juni 2007

Gewetens-Vrijheid

P. Steenwinkel S.J.

Het is een groot goed, dat Vaticanum II zich duidelijk heeft uitgesproken voor godsdienstvrijheid. Elke mens heeft er recht op die godsdienst te belijden, die hij voor zijn geweten de ware godsdienst acht. Door deze openlijk erkenning wordt impliciet ook de vrijheid va geweten erkend. Nu wil het ons echter voorkomen,d at er maar weinig begrippen zijn, die zo gemakkelijk tot misverstand aanleiding geven als juist het begrip: gewetensvrijheid.

Wij menen, dat daarvan de diepste grond is, de onklaarheid omtrent datgene wat men onder geweten moet verstaan en wat onder vrijheid. Wij zullen ons hier beperken tot het geweten.

Wat geweten is, lijkt op het eerste gezicht voor eenieder duidelijk te zijn. We voelen zelden behoefte om ons nader te verklaren, wanneer wij in gesprek of dispuut dat woord gebruiken. de katechismus, daterend uit 1948 en gebruikt tot 1965, kent de vraag: Is de biecht goed, als men na een ernstig gewetensonderzoek een doodzonde vergeten heeft; verder noemt hij als tweede punt dat nodig is als we gaan biechten: ons geweten onderzoeken, en daarbij sluit dan de vraag aan: hoe onderzoeken we ons geweten. we vinden echter nergens een omschrijving van wat nu eigenlijk geweten is. Men veronderstelt dus blijkbaar,d at zelfs kinderen van de lagere school weten, waarover het in deze vraag gaat. En toch, wanneer wij ons de vraag stellen: wat is nu eigenlijk het geweten, dat stuiten we op niet geringe moeilijkheden. We weten als het ware 'van nature' wat geweten zo ongeveer is. Maar wat verstaan we nu precies onder geweten?

Op het woord afgaande is het duidelijk, dat ge-weten iets met weten heeft te maken; even duidelijk is het, dat het om een heel speciaal weten gaat. We weten spontaan, dat we niet tégen ons geweten mogen handelen; we voelen ons derhalve spontaan aan ons geweten gebonden en wel met betrekking tot zedelijk handelen. we ervaren bovendien,d at ons geweten aanspoort, oordeelt en veroordeelt. Het maakt ons rustig, wanneer het ons niets heeft te verwijten, maar brengt ons in grote onrust door ons te achtervolgen na een slechte daad. Het geweten kan fijn en grof zijn, het kan ook zo goed als helemaal afstompen. Het kan met betrekking tot bepaalde zedelijke waarden gevoelig zijn en met betrekking tot andere tamelijk onverschillig of zelfs onkundig. Het kan geheel of ten dele dwalen, zich in bepaalde punten gedurende kortere of langere tijd meer of minder ernstig vergissen. Maar hoe dwalend het geweten ook moge zijn, toch blijkt, dat de grondwet van heel de moraal: het goede moet worden gedaan en het kwade moet vermeden worden, een beginsel is, waar ook het geweten ònder staat, welk beginsel echter niet eerder gekend wordt dan juist ìn een uitspraak van het geweten.

Elke gewetensuitspraak leert ons derhalve, dat het geweten zelf zijn diepste norm niet in zichzelf draagt, maar dat het van buitenaf genormeerd wordt, d.w.z. vanuit 'iets' dat het geweten zelf niet is.. Vervolgens blijkt, dat in het hanteren van deze norm het geweten afhankelijk is van hetgeen de mens door milieu, opvoeding en belering leert kennen èn waarderen als zedelijk goed of kwaad.

Wat dan het geweten van de mens ook moge zijn, in alle geval is dit zeker, dat het geweten in de mens een schier ondoorgrondelijke werkelijkheid is, even ondoorgrondelijk als het verschijnsel mens. Het geweten blijkt toegankelijk te zijn voor allerlei indrukken en van zichzelf uit gericht tot groei en ontwikkeling evenzeer als tot scheefgroei en degeneratie.

De conclusie uit dat alles lijkt ons te zijn, dat het geweten vóór alles vorming nodig heeft, een vorming die eigenlijk nooit af is. 'Vergissen is menselijk' zegt het spreekwoord; dat geldt ook voor het menselijk geweten.

Nu is het ongetwijfeld een verheugend feit, dat men tegenwoordig in allerlei toonaarden hoort beweren,d at de mens op eigen verantwoordelijkheid moet leren beslissen. Het is nog verheugender, dat velen dat ook metterdaad doen. Maar het is angstwekkend te moeten constateren, dat velen nu ook – althans naar het uiterlijk – zó zeker van hun eigen gewetensuitspraken blijken te zijn, dat van enige afhankelijkheid van anderen geen sprake meer is; men weet het zèlf. Velen schijnen er zelfs afschrik van te hebben ook maar het minst in hun gewetensuitspraken door anderen beïnvloed te worden, met name door hen die in gezag gesteld zijn. Dat de Kerk ons in geweten binden kan, is een moeilijk te verteren waarheid geworden. toch menen wij,dat er eerder dan het individuele geweten zo iets bestaat als een collectief geweten, dat in bijzondere gevallen naar de juiste toepassing van het algemene zedelijke norm moet zoeken onder leiding van het wettig gestelde gezag.

Waar dat genegeerd wordt, kan deraillement niet uitblijven.

[Uit: Confrontatie, Juni 1966, nr. 11]

Ratzinger over de Nieuwe Katechismus

Prof. Jos. Ratzinger van Tübingen, die in progressieve kringen “progressief” heeft en die behoorde tot de commissie van internationaal befaamde theologen, die de kardinalen-commissie inzake de N.K. Bijstond, heeft volgens Der kath. Gedanke van maart 1969 in Heidelberg een lezing gehouden voor de Vereinigiung Katholischer Akademiker over de N.K.

“Op de katholiekendag in Essen, zo deelde prof. Ratzinger zijn toehoorders mede, was de vermelding van de Hollandse katechismus voldoende, om de deelnemers tot spontane bijval te begeesteren, hoewel slechts weinigen van hen destijds het boek gelezen konden hebben.”

Prof. Ratzinger geeft de positieve eigenschappen van de N.K. alle eer, echter:

“De hele katechismus ademt menselijkheid en warmte. En toch begint precies daarmee zijn problematiek; men moet zich afvragen, of hier nog de volle 'extase' van het geloof naar een ander gericht plaats vindt of of niet bij de fenomenologie halt gemaakt wordt.”

“Bij het kernstuk van het boek, het hoofdstuk over het 'leven van Jezus', wordt deze moeilijkheid evident. Er kan toch slechts vastgesteld worden, het 'het' van zijn existentie, niet het 'hoe'. De auteurs echter behielpen zich hier een beetje te nadrukkelijk met de methode van de psychologisering vooruit, zo als het over de twaalfjarige Jezus in de tempel gaat: 'Een intelligente jongen ontdekt zijn roeping'. Ook de voorstelling van de erfzondeleer kan niet bevredigen. Heel orthodox wordt eerst verzekerd, dat de zonde van Adam elke mens vooruit gaat, een bladzijde verder echter: 'het begin komt geen betekenis toe.' Na ruggespraak met de auteurs geeft de Duitse vertaling toe, dat over 'de betekenis van het begin nog nagedacht moet worden'. Ook de genade wordt in het hoofdstuk over de 'verlossing' niet in haar volle dialectiek gezien. Onnauwkeurige informatie in de exegese n in de kerkgeschiedenis zijn verdere gebreken, die prof. Ratzinger als kritisch onderzoekend wetenschapsman bij de Hollandse katechismus moest vaststellen.

Tegenstrijdig is voorts, dat het katholieke als op het Seinsmäszige betrekking hebbende wordt geïnterpreteerd – als onderscheiden van het evangelische, dat op het woord gericht zou zijn -, daarbij wordt echter aan het probleem van het zijn in de katechismus zelf voorbij gegaan. De vraag naar God wordt al te zeer tot de levensgeschiedenis van Jezus gereduceerd, in deze zin alsof er in het geheel niet de indringende vragen van de moderne theologie zouden zijn. Het op bepaalde punten falen van de Hollandse katechismus is echter evenzeer belangrijk als zijn slagen,want falen en slagen weerspiegelen het beeld van de Kerk in een tijd van overgang met haar hoop en in gevaar komen. de Hollandse katechismus is niet de reeds gevonden oplossing, maar de 'dramatische uitdrukking daarvan, dat de oplossing te vinden ons opgedragen is.”

[Uit, confrontatie, extra mei-nummer 1969 – No. 48]

vrijdag 16 maart 2007

Enkele gedachten over Sacramentum Caritatis - 2

Gisteren ben ik niet meer aan het lezen van Sacramentum Caritatis toegekomen. Dus pas vanavond weer verder gelezen en ik ben nu al weer een stukje verder en heb deel 1 uit. Het geheel moet ik zeker nog een keer helemaal doorlezen, en delen waarschijnlijk nog wat vaker. Een lezer van mijn blog (verhip die zijn er ook nog - nooit gedacht) heeft mij erop geattandeerd dat ik paragraaf 6 helemaal verkeerd begreep. Natuurlijk kan before (voor) ook 'betreffend' betekenen, en is het niet alleen een tijdsaanduiding. Had ik moeten weten. (Was waarschijnlijk te moe ;) ) Bedankt voor de uitleg! Wat een groot deel van de media met de Sacramentum Caritatis doet is een schande. Ze maken er een karikatuur van door haar te verworden tot enkele one-liners. Het document zelf is genuanceerd, en geeft uitleg bij haar standpunten. Zonder deze uitleg - die natuurlijk in de one-liners achterwege wordt gelaten - komt zij niet tot haar recht en wordt haar onrecht aangedaan. Het document draagt duidelijk het stempel van de huidige Paus: iedere iota is belangrijk, inclusief de voetnoten! Ik ga morgen weer verder lezen.

woensdag 14 maart 2007

Enkele gedachten over Sacramentum Caritatis - 1

Ik heb nu het eerste deel tot en met paragraaf 16 gelezen. Sommigen zullen moeite hebben met paragraaf 3. Zelf wil ik deze paragraaf nog een keer bestuderen (en dan ook de Duitse en Franse vertaling er naast houden) voordat ik er verder op in ga. Ik denk dat voetnoot 6 voor een goed begrip van deze paragraaf zeer belangrijk is:
"I am referring here to the need for a hermeneutic of continuity also with regard to the correct interpretation of the liturgical development which followed the Second Vatican Council: cf. Benedict XVI, Adress to the Roman Curia (22 December 2005): AAS 98 (2006), 44-45."
Bij paragraaf 6 vraag ik me af wat er precies met "before the substancial change of bread ad wine into the body and blood of the lord", volgensmij moet hier after staan. Paragraaf 10 is zeer belangrijk voor een goed begrip van het zogenaamde maaltijd-karakter. Dat was het tot nu toe, meer volgt, maar nu ga ik slapen.

dinsdag 6 maart 2007

Sacramentum Caritatis


AVVISO DI CONFERENZA STAMPA Si informano i giornalisti accreditati che martedì 13 marzo 2007, alle ore 11.30, nell’Aula Giovanni Paolo II della Sala Stampa della Santa Sede, avrà luogo la Conferenza Stampa di presentazione dell’Esortazione Apostolica Postsinodale del Santo Padre Benedetto XVI "Sacramentum Caritatis" sull’Eucaristia fonte e culmine della vita e della missione della Chiesa. Interverranno: Em.mo Card. Angelo Scola, Patriarca di Venezia, Relatore Generale all’XI Assemblea Generale Ordinaria del Sinodo dei Vescovi; S.E. Mons. Nikola Eterovic, Segretario Generale del Sinodo dei Vescovi. http://212.77.1.245/news_services/bulletin/news/19818.php?index=19818&lang=it SAMENVATTING: APOSTOLISCHE POSTSYNODALE EXHORTATIE SACRAMENTUM CARITATIS ZAL WORDEN GEPRESENTEERD OP 13 MAART !!!

zaterdag 3 maart 2007

Bisschop Schneider: De beklagenswaardige strategie van de handcommunie

[Vertaald uit het Duits, bron: Una Voce Korrespondenz, 37. Jahrgang, Heft 1, Jan./Feb. 2007]

Vooropmerking [van de redactie van de UVK]: In het Tijdschrift “Sapientia Crucis” (Revista Filosofico – Teológica) van het Institutum Sapientiae (Anápolis Brasilien) bevindt zich in nummer 7 (VII-2006) een lezenswaardige bijdrage “Cum Amore et Timore – O modo de distribuir a Sagrada Comunhão” van Athanasius Schneider (blz. 157 – 175) over de onzinnigheid van de handcommunie. Het op een hoog wetenschappelijk niveau staande artikel toont aan de hand van een grote hoeveelheid van citaten uit de bronnen aan, dat het teruggaan van handcommunie op de vroege Kerk onhoudbaar is. Het artikel is in het Portugees verschenen; de geleerde auteur heeft echter op ons verzoek een Duitse samenvatting gemaakt, die wij hier onze lezers voorleggen.
Athanasius Schneider (geboren 1961) is regulierskanonnik van de orde van het Heilige Kruis en een uitstekende kenner van de patristiek: zijn dissertatie (1999 aan het Patristiek Instituut Augustinum in Rome) behandeld de symboliek van de “Herders van Hermas”. Athanasius Scheider werd op 8 april 2006 tot hulpbisschop in Karaganda (Kasachstan, Centraal Azië) benoemd.

Ik ben er steeds meer van overtuigd dat de toestand waarin zich het Allerheiligste van de Kerk, de Eucharistische Heer, bevindt, werkelijk betreurenswaardig is, en dat staat juist in oorzakelijke samenhang met het huidige gebruik van de handcommunie. Naar mijn weten is het op deze schaal nog nooit zo in de geschiedenis van de Kerk geweest.
Het is ook te betreuren dat blijkbaar steeds meer bisschoppen aan deze situatie gewend raken. Aan de andere kant wordt het huidige gebruik van de handcommunie, die zich van het gebruik van de handcommunie in de vroege kerk op wezenlijke punten onderscheid, met een bepaalde strategie wereldwijd gepropageerd. Objectief gezien ontstaat een massieve ontheiliging en banalisering van het Allerheiligste, dat niet zomaar iets is, maar de goddelijke persoon Jezus Christus Zelf, die onder de eucharistische gedaanten werkelijk in Zijn Godheid en Mensheid tegenwoordig is. Daarom is naar mijn mening de toestand, die naar aanleiding van het gebruik van de handcommunie ontstaan is en voortgaat te ontstaan, als wezenlijk ernstiger te beschouwen als het probleem van de hervorming van de ritus van de Heilige Mis. Moge God de bisschoppen doen opwaken en dat zij de eucharistische Heer in de Kerk mogen beginnen te verdedigen, die door de herders van de kerk zelf zo beschermloos in de handen van de mensen werd overgeleverd. Want hier geld .volledig de uitspraak van de apostelen “Dominus est!” (Joh. 21, 7) of van de heilige pastoor van Ars: “Il è lè!”
Uit de volgende woorden van de heilige Johannes Chrysostomus, de doctor eucharisticus, kan men de vrome houding van de patristische tijd (waarop zich de propagandisten van het huidige gebruik van de handcommunie valselijk of tendentieus beroepen) met betrekking tot de uiterlijke en innerlijke houding bij het ontvangen van de Heilige Communie zeer indrukwekkend samengevat zie: “Gij hebt hier [bij de Communie] een veel verhevener teken gekregen als de Joden in het Allerheiligste van de Tempel. In u wonen inderdaad niet de Cherubijnen, maar de Heer van de Serafijnen zelf. Gij hebt niet de ark, niet het manna, niet de stenen tafelen en niet de aäronsstaf, maar het Lichaam en het Bloed van de Heer, de Geest in plaats van de Letter, de Genade, die ieder menselijk denken overstijgt, gij hebt een ondoorgrondelijke Gave” (Hom. In Ps. 133, 2: PG 55, 386). En ergens anders spreekt de heilige kerkleraar tot het geweten van die priesters die lichtvaardig en zonder mensenangst onwaardig het lichaam van de Heer uitdelen: “Zelfs wanneer iemand uit onwetendheid nader komt, zo weiger het hem, wees niet bang. Wees eerder bang voor God, en niet voor de mensen. Ik ben eerder bereid te sterven, dan het Bloed van de Heer op onwaardige wijze uit te delen. Eerder zal ik mijn bloed vergieten, dan het kostbaarste Bloed van de Heer op een Hem onwaardige manier uit delen. Wanneer wij zo handelen, zullen velen het Lichaam van de Heer op een waardige wijze ontvangen en wij vanwege onze zorg om het heil van de ander een groot loon van de Heer ontvangen” (Hom. 82, 6 in Ev. Io: PG 58, 746).
Mooie uitspraken over de Eucharistie zijn vandaag niet voldoende, en nuttig zijn ze ook niet. Als daarom de bisschoppen nu zouden beginnen werkelijke voor de eucharistische Heer heel, heel concreet te zorgen! Zolang de actuele huilenswaardige situatie met de eucharistische Heer voortduurt, en dat voor het grootste deel vanwege het huidige gebruik van de handcommunie, kan het kerkelijke leven niet werkelijk gezond worden. Want het gaat hier eigenlijk niet om een ritusstrijd, maar werkelijk om het hart van de Kerk, om de meest geliefde, allerheiligste Heer zelf: Dominus est!

zaterdag 24 februari 2007

Interview Mgr. Ranjith: “Het is de Heilige Vader die zal beslissen”

Hieronder volgt een vertaling van een recent engelstalig interview uit Inside the Vatican. Het Engelse orgineel is hier te vinden.
"HET IS DE HEILIGE VADER DIE ZAL BESLISSEN"
Iedereen die zich interesseert voor de liturgie van de Kerk vraagt zich af of de paus binnen kort een motu proprio zal uitvaardigen dat de viering van de “Oude Mis” zal toestaan, wanneer hij dat zal doen, en wat erin zal staan. Een van de liturgisten van het Vaticaan laat zijn licht schijnen over de plannen van de paus. ANTHONY VALLE: Uwe Excellentie, sinds uw benoeming als secretaris van de Congregatie voor de Eredienst bent u zeer gul geweest in het geven van interviews over de liturgie aan de internationale pers. Enkele van uw uitspraken zijn verkeerd begrepen en hebben in plaats van tot de bedoelde helderheid tot controverse geleid. Zou u iets willen verduidelijken? AARTSBISSCHOP MALCOM RANJITH: Wat ik in deze interviews wilde benadrukken was dat de post-conciliaire hervorming niet instaat is geweest de verwachte doelen, de spirituele en missionaire hernieuwing van de Kerk, te bereiken, zodat we er vandaag werkelijk blij mee kunnen zijn. Zonder twijfel zijn er ook positieve resultaten; maar de negatieve effecten lijken groter te zijn, en veroorzaken in onze gelederen veel desoriëntatie. De kerken zijn leger, liturgisch ‘freewheelen’ is aan de orde van de dag, en de werkelijke betekenis en het belang van dat wat wordt gevierd wordt verduisterd. Men moet zich dan gaan afvragen of het hervormingsproces in feite juist is uitgevoerd. Daarom moeten we goed bestuderen wat er gebeurd is, bidden en reflecteren over de oorzaken en met de hulp van de Heer overgaan tot de nodige correcties. VALLE: Het schijnt dat Paus Benedictus XVI een motu proprio zal uitvaardigen om het gebruik van de traditionele ofwel ‘Tridentijnse Mis’ te liberaliseren. Sommigen hopen dat het pauselijke motu proprio een juridische structuur in het leven zal roepen om priesters in staat te stellen de Traditionele Mis te celebreren zonder onterecht te worden bestookt en voortdurend te worden tegengewerkt door, ironisch genoeg, niet de anders gelovigen of de seculiere autoriteiten, maar door hun eigen herders en bisschoppen. Is deze hoop op een nieuw juridisch orgaan realistisch? Is een dergelijk orgaan noodzakelijk? RANJITH: Wel, er is een steeds luider wordende roep voor een rehabilitatie van de Tridentijnse Mis. Bovendien hebben zelfs bepaalde belangrijke mensen uit de elite recentelijk in enkele kranten publiekelijk gepleit voor deze Mis. De Heilige Vader zal - daar ben ik zeker van - hier notie van nemen en beslissen wat het beste voor de Kerk is. U spreekt over de mogelijkheid van het in leven roepen van nieuwe juridische structuren voor het implementeren van een dergelijke beslissing. Ik denk niet dat dit het probleem is. Wat belangrijker bij dit alles is, is een pastorale houding. Zullen de bisschoppen en priesters verzoeken om de Tridentijnse Mis afwijzen en daarmee een juridische structuur, die het uitvoeren van een beslissing van de Paus afdwingt, noodzakelijk maken? Ik hoop dat dit niet nodig is! De vraag die de herders zichzelf moeten stellen is: Hoe kan ik als bisschop of als priester zelfs één persoon dichter bij Christus en Zijn Kerk brengen? Het gaat niet zo zeer om de Tridentijnse Mis of de Novus Ordo. Het is alleen een vraag van pastorale verantwoordelijkheid en pastoraal gevoel. Dus wanneer de Tridentijnse Mis de weg opent om een beter niveau van spirituele verrijking van de gelovigen te bereiken, dan behoren de herders haar toe te staan. Het belangrijke aandachtspunt is niet zo zeer het “wat” maar het “hoe”. De Kerk moet altijd proberen de gelovigen te helpen dichter bij de Heer te komen, zich door zijn boodschap uitgedaagd te voelen en ruimhartig Zijn roepstem te beantwoorden. En wanneer dit kan worden bereikt door het celebreren van de Novus Ordo of de Mis van Pius V, wel, dan moet er ruimte worden gemaakt voor dat wat het beste is, in plaats van toe te spitsen op onnodige en verdeeldheid zaaiende theologische haarkloverij. Zulke dingen dienen met het hart te worden besloten en niet zo zeer met het hoofd. Ten slotte heeft Paus Johannes Paulus II in zijn schrijven Ecclesia Dei Adflicta van 1988 de bisschoppen persoonlijk opgeroepen hieromtrent grootmoedig te zijn, grootmoedig ten opzichte van hen die de Tridentijnse Mis wensen te celebreren of bij willen wonen. Daarnaast moeten wij niet vergeten dat de Tridentijnse Mis niet alleen het eigendom is van de volgelingen van aartsbisschop Lefebvre. Het is voor ons, als leden van de Katholieke Kerk, een deel van ons eigen erfgoed. Het Tweede Vaticaans Concilie, zoals paus Benedictus in december 2005 duidelijk heeft gezegd in zijn toespraak voor de leden van de Curie, had geen totaal nieuw begin voor ogen, maar een continuïteit met een hernieuwd enthousiasme en een nieuw gezicht dat beter beantwoordt aan de missionaire noden van de tijd. Daarnaast hebben we het serieuze probleem van het afnemende aantal gelovigen in sommige kerken in de Westerse wereld. We moeten ons vragen wat er in deze kerken gebeurd is en, wanneer het nodig blijkt, corrigerende maatregelen nemen. Ik denk dat deze situatie niet alleen aan de secularisatie te wijten is. Een diepe crisis van het geloof gepaard aan het nastreven van betekenisloze liturgische experimenten en nieuwigheden hebben hierin een rol gespeeld. Er is soms veel formalisme en smakeloosheid zichtbaar. Daarom moeten we een waarachtig gevoel van het heilige en het mystieke in de eredienst herstellen. Wanneer de gelovigen van mening zijn dat de Tridentijnse Mis hen meer dan iets anders dit gevoel geeft van het heilige en mystieke, dan moeten we de moed hebben hun verzoek in te willigen. Over het tijdstip van verschijnen en de aard van het motu proprio is nu nog niets bekend. Het is de Heilige Vader die zal beslissen. En wanneer hij een besluit genomen heeft, dan moeten wij dat allemaal in gehoorzaamheid accepteren, en met een waarachtige liefde voor de Kerk hem proberen te helpen. Elke tegenstrijdige houding zal slechts de spirituele missie van de Kerk schaden en de Wil van de Heer tegenwerken. VALLE: Zoals vandaag de dag zo veel Katholieken, zijn mijn vrouw en ik tot de ontdekking gekomen dat wij de viering van de Novus Ordo Mis op zondag eerder geïrriteerd en verbijsterd verlaten dan spiritueel gesterkt. Hoe komt dat? RANJITH: Bij het celebreren van de Novus Ordo moeten we datgene wat we op het altaar doen erg serieus nemen. Ik kan geen priester zijn die in zijn slaap droomt over wat hij de volgende dag tijdens de Mis gaat doen, naar het altaar te lopen en beginnen aan een viering met allerlei soorten nieuwe zelfgemaakte rubrieken en handelingen. De Heilige Eucharistie is van de Kerk. Daarom heeft zij een eigen betekenis die niet kan worden overgelaten aan de eigenaardigheden van iedere afzonderlijke celebrant. Ieder element in de liturgie van de Kerk heeft zijn eigen lange ontwikkelingsgeschiedenis en betekenis. Het gaat hier zeker niet om private “tradities” en kan dus ook niet het voorwerp van manipulatie door Jan en alleman zijn. In feite zegt Sacrosanctum Concilium dat het naast de Apostolische Stoel en de bisschoppen, waar dit aan de laatsten door de eerste wordt toegestaan, “absoluut niemand anders is toegestaan, zelfs niet een priester, iets op zijn eigen autoriteit toe te voegen of te verwijderen” (SC 22). Ondanks dat zien wij momenteel in bepaalde gebieden van de Kerk veel liturgisch freewheelen, en dat voornamelijk vanwege een foutief verstaan van de liturgische theologie. Het mysterie van de Heilige Eucharistie – bijvoorbeeld - wordt vaak verkeerd of slechts gedeeltelijk begrepen, waardoor de deur open blijft staan voor allerlei soorten liturgische misbruiken. Bij het vieren van de Heilige Eucharistie leggen sommige te veel het accent op de voorgangersrol van de priester. Maar we weten dat de priester in werkelijkheid bij dat wat er op het altaar gebeurd niet de hoofdrolspeler is. Dat is Jezus Zelf. Daarnaast heeft iedere liturgische viering ook een hemelse dimensie “die wordt gevierd in de heilige stad Jeruzalem, waarheen wij als pelgrims op weg zijn” (SC 8). Anderen leggen de Eucharistie uit op een manier waarbij de nadruk wordt gelegd op haar maaltijddimensie; men brengt haar in verband met “communio” (gemeenschap). Dit is ook een belangrijke overweging, maar we mogen niet vergen dat het niet zo zeer gaat om een gemeenschap gevormd door hen die deel nemen aan de Eucharistie maar eerder om een gemeenschap met de Heer Zelf. Door de Eucharistie neemt de Heer ons in Zichzelf op en in Hem worden wij in gemeenschap (communio) geplaatst met al de anderen die zichzelf met Hem verenigen. Het is dus niet zo zeer een sociale ervaring, maar eerder een mystieke. Vandaar dat zelfs de Eucharistie als “communio” een hemelse ervaring is. Wat belangrijker is, is het offerkarakter van de Eucharistie. Telkens wanneer we de Eucharistie vieren herleven wij het offer van Calvarie; wij vieren het als het moment van onze verlossing. En juist dit gegeven geeft vorm aan de unieke waardigheid en bron van identiteit van de priester. Hij werd door Christus ingesteld voor de viering van het wonderbaarlijke mysterie van het veranderen van deze vergankelijke stukjes brood in het werkelijke, verheerlijkte Lichaam van Christus en dit kleine beetje wijn in het Bloed van Christus, tegenwoordigstellend het offer van Calvarie voor het heil van de wereld. En dit moet iedere keer wanneer de priester de Eucharistie celebreert door hem worden geleefd, begrepen en geloofd. In feite legde Sacrosanctum Concilium de nadruk op de offer- en heilseffectiviteit van de Mis. De priester wordt aldus een andere Christus, om het zo te zeggen. Wat een grote roeping! En bijgevolg, wanneer we de Eucharistie devoot celebreren, dan zullen de gelovigen immense spirituele vruchten oogsten en keer op keer blijven terugkeren op zoek naar dat hemelse voedsel. VALLE: Er zijn er die beweren dat de oplossing van de liturgische crisis die de kerk vandaag teistert – en daarmee uiteindelijk ook van de geloofscrisis – bereikt zal worden door een terugkeer naar het exclusieve gebruik van de Tridentijnse Mis, terwijl anderen van mening zijn dat we eigenlijk een “reform of the reform” (hervorming van de hervorming), met andere woorden: een hervorming van de Novus Ordo, nodig hebben. Wat denkt u? RANJITH: Een “of-of” houding zal de Kerk onnodig polariseren, aangezien barmhartigheid en pastorale zorg ook een rol moeten spelen. Wanneer de Heilige Vader het zo wenst, dan kunnen beide naast elkaar bestaan. Dit zou niet betekenen dat we de Novus Ordo afschaffen. Maar door de interactie van de twee Romeinse tradities, is het mogelijk dat zij elkaar uiteindelijk zullen beïnvloeden. We kunnen niet zeggen dat alles helemaal vast staat, dat er niets nieuws kan gebeuren. In feite heeft Vaticanum II nooit gepleit voor onmiddellijke veranderingen in de liturgie. Het gaf eerder de voorkeur aan het “organisch laten groeien uit de bestaande vormen” (SC 23). Zoals kardinaal Antonelli, een uitermate gerespecteerd lid van het Concilium die de herziening van de liturgie na het Concilie ondernam, in zijn dagboeken opmerkt, zijn sommige liturgische veranderingen na het Concilie ondoordacht geïntroduceerd; lukraak, en gemaakt om daarna pas geaccepteerd gebruik te worden. De handcommunie bijvoorbeeld, is niet iets dat eerst voldoende bestudeerd en doordacht was voordat het door de Heilige Stoel werd geaccepteerd. Het werd in bepaalde Noord Europese landen lukraak geïntroduceerd en is daarna een geaccepteerd gebruik geworden om zich uiteindelijk uit te breiden naar andere plaatsen. Nu, dat is een situatie die voorkomen had moeten worden. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft nooit gepleit voor zulk een aanpak van de liturgische hervorming. VALLE: Lex orandi, lex credendi, lex viviendi (“De wet van het gebed (is) de wet van het geloof, (is) de wet van het leven”). Is het waar dat de manier waarop wij de eredienst vorm geven en hoe wij bidden van invloed zijn op wat we geloven, en dat wat we geloven van invloed is op hoe we leven? Met andere woorden: beïnvloedt de liturgie uiteindelijk ons moreel leven? RANJITH: Ja. Hoe zouden wij de gelovigen kunnen overtuigen om offers te brengen aangaande hun ethische en morele meningen, wanneer zij niet eerst ten diepste worden geraakt en geïnspireerd door de genade van God. En zo iets gebeurt met name bij de eredienst, wanneer de menselijke ziel de verlossende genade van Gods het intiemst ondervindt. Door de eredienst wordt het geloof geabsorbeerd en loopt over van inspiratie en kracht, waardoor wij instaat worden gesteld om die morele keuzes te maken die in overeenkomst zijn met het geloof. In de liturgie moeten wij de nabijheid van God in ons hart zo intens ervaren, dat wij op onze beurt vaster gaan geloven en worden gedreven om rechtvaardiger te handelen. VALLE: Wat zijn enkele hedendaagse liturgische trends of problemen die correctie behoeven? RANJITH: Een van deze, zoals ik het zie, is de trend om, in sommige landen, oecumenische liturgieën als vervanging van de Zondagmis te organiseren, gedurende dewelke katholieke lekenleiders en protestantse dominees samen vieren en de laatste worden uitgenodigd om de preek te houden. Zondagse Liturgieën van het Woord met de uitreiking van de Heilige Communie, de vorm die alleen is toegestaan voor gevallen waarbij een priester niet aanwezig kan zijn, worden veranderd in een oecumenisch gebeuren dat aan de gelovigen een verkeerd signaal kan geven. Ze zouden gewend kunnen raken aan het idee van een zondag zonder de Eucharistie. De Eucharistie, zoals u weet, geeft de Kerk vorm (Ed E. 21) en dit staat voor ons katholieken centraal. Wanneer zij zo eenvoudig wordt vervangen door de Liturgie van het Woord, of nog erger door zogenaamde oecumenische gebedsdiensten, dan komt de eigenlijke identiteit van de Katholieke Kerk in het geding. Jammer genoeg horen wij ook van gevallen waarbij de Eucharistie zelf, op verschillende manieren, wordt gevierd tezamen met de protestantse dominees. Dit is helemaal onacceptabel en is een graviora delicta (“ernstiger vergrijp”) (RM 172). Oecumene is niet iets dat mag worden overgelaten aan de ad hoc keuzes van een individuele priester. Ware oecumene, zoals dit werd voorgestaan door Vaticanum II, komt vanuit het hart van de Kerk. De weg van de ware oecumene begint bijvoorbeeld met een serieuze reflectie van hen die als geschikt worden beschouwd om aan dat soort reflectie deel te nemen, zoals de Pauselijke Raad voor de Christelijke Eenheid en de Heilige Vader zelf. Niet iedereen heeft de competentie om te weten wat de manier is hoe deze delicate zoektocht naar eenheid dient te worden ondernomen. Het benodigd veel reflectie en gebed. Daarom behoort men niet op eigen houtje te experimenteren met liturgische nieuwigheden in naam van de oecumene. Een tweede verontrustende trend is het langzaam vervangen van de Mis gecelebreerd door een priester door een para-liturgische dienst geleid door een leek. Dit kan natuurlijk legitiem zijn wanneer er geen priester beschikbaar is en de mogelijkheden om aan de zondagsplicht te voldoen schaars zijn. Echter dit is een uitzondering, niet de regel. Wat gevaarlijk is, is het marginaliseren van de priester, zelfs wanneer hij beschikbaar is, en bepaalde pastorale lekenteams taken op zich nemen die alleen de priester toekomen. Ik bedoel hiermee de trend dat lekenleiders preken in plaats van de priester, zelfs wanneer hij aanwezig is, of de Heilige Communie uitreiken, terwijl de priester bij het altaar niets zit te doen. We moeten hier benadrukken dat, zoals het Tweede Vaticaans Concilie bevestigde, het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap “van elkaar in essentie verschillen en niet alleen in graad” (LG 10). En daarom is het een ernstig misbruik om leken taken die aan de priesters zijn voorbehouden te laten uitvoeren. Wat verkeerd is, is de toenemende wereldwijde tendens om de priesters te laïceren en om de leken te clericaliseren. Dit is ook contra mentem (“in strijd met de gedachte” of “in strijd met de bedoeling”) van het Concilie. Er is ook de toenemende trend om de Zondagsmis naar de zaterdag te verhuizen alsof dit “normaal” zou zijn. De zondag is echter de ware dag van de Heer, en daarom een dag van geestelijke en fysieke rust. Er is een beweging om haar belangrijkheid te verminderen, om haar te maken tot een dag van de wereldlijke afleiding. In Dies Domini, waarschuwde paus Johannes Paulus II tegen deze verontrustende trend. Een laatste punt dat ik hier nog wil noemen heeft betrekking op bepaalde gebruiken die in missiegebieden zijn geïntroduceerd, zoals bijvoorbeeld in Azië, in de naam van verandering, die strijdig is met haar culturele erfgoed. In bepaalde Aziatische landen zien we een trend om het staand op de hand communiceren te introduceren. Dit is niet overeenkomstig de Aziatische cultuur. De boeddhisten gaan tijdens hun eredienst plat op de grond liggen, met hun voorhoofd op de vloer. De moslims trekken hun schoenen uit en wassen hun voeten voordat ze de moskee betreden om te bidden. De hindoes betreden hun tempels met ontbloot bovenlijf als teken van onderwerping. Wanneer mensen de koning van Thailand of de keizer van Japen benaderen, dan doen zij dat op hun knieën als teken van respect. Maar in veel Aziatische landen heeft de Kerk, in plaats van het knielen, het gebruik van een eenvoudige buiging voor het Heilige Sacrament geïntroduceerd, het staan tijdens het ontvangen van de Heilige Communie, en het ontvangen op de hand. En we weten dat deze gebruiken niet kunnen worden beschouwd als overeenkomstig met de Aziatische cultuur. Daarnaast wordt aan de leken, wiens rol in de Kerk is toegenomen, zelfs niets gevraagd wanneer deze beslissingen worden genomen. Al deze zaken voorspellen niets goeds voor de Kerk en we moeten deze trends corrigeren, zodat de Eucharistie die we celebreren wordt, zoals St. Ignatius van Antiochië bevestigt, “medicijn voor onsterfelijkheid en middel tegen dood” (Eph. 20). Anthony Valle is een theoloog en schrijver die in Rome woont.

vrijdag 25 augustus 2006

Preek voor de 10e zondag na Pinksteren

Pater Laurent de Mets Geliefde broeders, Laat me je een vraag stellen: is er iets dat je hebt dat je niet van God hebt gekregen? Omdat jullie allemaal de catechismus kennen, hoor ik al zeggen: “Nee, natuurlijk niet!” Laat me nu een andere vraag stellen: welnu, waarom gedraag je je dan alsof God het je niet had gegeven? Nu zou je me misschien niet begrijpen. Laat me dit daarom verduidelijken. Je hebt alles wat je hebt van God ontvangen. Een ieder van jullie kan een lijst maken met dat wat je hebt gekregen: je leven, je bovennatuurlijk leven, dat wat wij Goddelijke Genade noemen, je natuurlijke gaven en talenten, je echtgenoot, je familie, je huis, je auto, het dagelijks eten enz… Op de een of andere wijze is God de oorsprong van alles wat je hebt, ook wanneer je dit niet altijd in het leven van alledag beseft. We Geloven – het is een Katholieke geloofspunt – dat alles onder Gods bestuur valt. Bijgevolg, wanneer je dit of dat als geschenk van God hebt gekregen, dan is dat niet zomaar, daar is een rede voor. Ten eerste, wat je leven betreft. Je bent niet ontstaan uit puur toeval, maar omdat God dit heeft gewild. Je hebt een bepaalde aanleg of een bepaald handicap niet door louter toeval. Je hebt zelfs geen enkel aards bezit alleen omdat je het verdient of omdat je er voor gewerkt hebt, maar ook omdat God toestaat dat je het hebt. We ontkennen niet het bestaan van secundaire oorzaken en de vrije wil, maar we erkennen simpelweg dat Gods Voorzienigheid een realiteit is, zoals de Kerk ons leert. Nogmaals, alles valt onder Gods bestuur, onder zijn Voorzienigheid. Waarom heb je dan zoveel gaven van God gekregen? Laat mij hierop antwoorden door nog een andere vraag te stellen. Waarom bestaan wij? Omdat je nog steeds je catechismus kent hoor ik je al antwoorden: “omdat God ons heeft geschapen opdat wij Hem aanbidden, Hem dienen en Hem lief hebben.” En hier heb je het antwoord op de vorige vraag. Alles dat je hebt is ter ere van God en ik zou willen toevoegen, niet alleen alles wat je hebt, maar ook alles wat je bent, jouw eigen bestaan. Niets is voor jou! Alles is voor God. Met het oog op de lezingen van vandaag zie ik twee belangrijke lessen die we van deze waarheid kunnen leren. Ten eerste, moeten wij nederig zijn als de tollenaar in het Evangelie. Zonden zijn werkelijk van ons en het ergste is dat wij Gods gaven gebruiken om hem met onze zonden te beledigen. Als je goed doet, zoals de Farizeeër, bedenk dan wel dat het goed dat je doet van God komt en dat dit goed ter ere van Hem is, en niet van ons. De tweede les is dat er absoluut geen rede is om jaloers te zijn op een ander. De gaven, de talenten en de bezittingen die andere hebben zijn ter ere van God. Als zij ze hiertoe gebruiken, dan moeten wij ons verheugen. Als zij dat niet doen, dan moeten wij daar bedroefd over zijn en voor hen bidden. Maar wees ervan verzekerd dat God je geeft wat je nodig heeft. Wanneer Hij je meer geeft, wees dan bedachtzaam en gebruik dit overschot ter ere van Hem. Laat wij ons richten naar Onze Lieve Vrouw en haar vragen ons wijsheid te schenken, zodat we, in nederigheid en dankbaarheid, goed gebruik maken van dat wat ons geschonken wordt. Vertaald uit het Engels Bron: http://defidecatholica.blogspot.com/2006/08/sermon-for-10th-sunday-after-pentecost.html