dinsdag 5 juni 2007

Ratzinger over de Nieuwe Katechismus

Prof. Jos. Ratzinger van Tübingen, die in progressieve kringen “progressief” heeft en die behoorde tot de commissie van internationaal befaamde theologen, die de kardinalen-commissie inzake de N.K. Bijstond, heeft volgens Der kath. Gedanke van maart 1969 in Heidelberg een lezing gehouden voor de Vereinigiung Katholischer Akademiker over de N.K.

“Op de katholiekendag in Essen, zo deelde prof. Ratzinger zijn toehoorders mede, was de vermelding van de Hollandse katechismus voldoende, om de deelnemers tot spontane bijval te begeesteren, hoewel slechts weinigen van hen destijds het boek gelezen konden hebben.”

Prof. Ratzinger geeft de positieve eigenschappen van de N.K. alle eer, echter:

“De hele katechismus ademt menselijkheid en warmte. En toch begint precies daarmee zijn problematiek; men moet zich afvragen, of hier nog de volle 'extase' van het geloof naar een ander gericht plaats vindt of of niet bij de fenomenologie halt gemaakt wordt.”

“Bij het kernstuk van het boek, het hoofdstuk over het 'leven van Jezus', wordt deze moeilijkheid evident. Er kan toch slechts vastgesteld worden, het 'het' van zijn existentie, niet het 'hoe'. De auteurs echter behielpen zich hier een beetje te nadrukkelijk met de methode van de psychologisering vooruit, zo als het over de twaalfjarige Jezus in de tempel gaat: 'Een intelligente jongen ontdekt zijn roeping'. Ook de voorstelling van de erfzondeleer kan niet bevredigen. Heel orthodox wordt eerst verzekerd, dat de zonde van Adam elke mens vooruit gaat, een bladzijde verder echter: 'het begin komt geen betekenis toe.' Na ruggespraak met de auteurs geeft de Duitse vertaling toe, dat over 'de betekenis van het begin nog nagedacht moet worden'. Ook de genade wordt in het hoofdstuk over de 'verlossing' niet in haar volle dialectiek gezien. Onnauwkeurige informatie in de exegese n in de kerkgeschiedenis zijn verdere gebreken, die prof. Ratzinger als kritisch onderzoekend wetenschapsman bij de Hollandse katechismus moest vaststellen.

Tegenstrijdig is voorts, dat het katholieke als op het Seinsmäszige betrekking hebbende wordt geïnterpreteerd – als onderscheiden van het evangelische, dat op het woord gericht zou zijn -, daarbij wordt echter aan het probleem van het zijn in de katechismus zelf voorbij gegaan. De vraag naar God wordt al te zeer tot de levensgeschiedenis van Jezus gereduceerd, in deze zin alsof er in het geheel niet de indringende vragen van de moderne theologie zouden zijn. Het op bepaalde punten falen van de Hollandse katechismus is echter evenzeer belangrijk als zijn slagen,want falen en slagen weerspiegelen het beeld van de Kerk in een tijd van overgang met haar hoop en in gevaar komen. de Hollandse katechismus is niet de reeds gevonden oplossing, maar de 'dramatische uitdrukking daarvan, dat de oplossing te vinden ons opgedragen is.”

[Uit, confrontatie, extra mei-nummer 1969 – No. 48]

vrijdag 16 maart 2007

Enkele gedachten over Sacramentum Caritatis - 2

Gisteren ben ik niet meer aan het lezen van Sacramentum Caritatis toegekomen. Dus pas vanavond weer verder gelezen en ik ben nu al weer een stukje verder en heb deel 1 uit. Het geheel moet ik zeker nog een keer helemaal doorlezen, en delen waarschijnlijk nog wat vaker. Een lezer van mijn blog (verhip die zijn er ook nog - nooit gedacht) heeft mij erop geattandeerd dat ik paragraaf 6 helemaal verkeerd begreep. Natuurlijk kan before (voor) ook 'betreffend' betekenen, en is het niet alleen een tijdsaanduiding. Had ik moeten weten. (Was waarschijnlijk te moe ;) ) Bedankt voor de uitleg! Wat een groot deel van de media met de Sacramentum Caritatis doet is een schande. Ze maken er een karikatuur van door haar te verworden tot enkele one-liners. Het document zelf is genuanceerd, en geeft uitleg bij haar standpunten. Zonder deze uitleg - die natuurlijk in de one-liners achterwege wordt gelaten - komt zij niet tot haar recht en wordt haar onrecht aangedaan. Het document draagt duidelijk het stempel van de huidige Paus: iedere iota is belangrijk, inclusief de voetnoten! Ik ga morgen weer verder lezen.

woensdag 14 maart 2007

Enkele gedachten over Sacramentum Caritatis - 1

Ik heb nu het eerste deel tot en met paragraaf 16 gelezen. Sommigen zullen moeite hebben met paragraaf 3. Zelf wil ik deze paragraaf nog een keer bestuderen (en dan ook de Duitse en Franse vertaling er naast houden) voordat ik er verder op in ga. Ik denk dat voetnoot 6 voor een goed begrip van deze paragraaf zeer belangrijk is:
"I am referring here to the need for a hermeneutic of continuity also with regard to the correct interpretation of the liturgical development which followed the Second Vatican Council: cf. Benedict XVI, Adress to the Roman Curia (22 December 2005): AAS 98 (2006), 44-45."
Bij paragraaf 6 vraag ik me af wat er precies met "before the substancial change of bread ad wine into the body and blood of the lord", volgensmij moet hier after staan. Paragraaf 10 is zeer belangrijk voor een goed begrip van het zogenaamde maaltijd-karakter. Dat was het tot nu toe, meer volgt, maar nu ga ik slapen.

dinsdag 6 maart 2007

Sacramentum Caritatis


AVVISO DI CONFERENZA STAMPA Si informano i giornalisti accreditati che martedì 13 marzo 2007, alle ore 11.30, nell’Aula Giovanni Paolo II della Sala Stampa della Santa Sede, avrà luogo la Conferenza Stampa di presentazione dell’Esortazione Apostolica Postsinodale del Santo Padre Benedetto XVI "Sacramentum Caritatis" sull’Eucaristia fonte e culmine della vita e della missione della Chiesa. Interverranno: Em.mo Card. Angelo Scola, Patriarca di Venezia, Relatore Generale all’XI Assemblea Generale Ordinaria del Sinodo dei Vescovi; S.E. Mons. Nikola Eterovic, Segretario Generale del Sinodo dei Vescovi. http://212.77.1.245/news_services/bulletin/news/19818.php?index=19818&lang=it SAMENVATTING: APOSTOLISCHE POSTSYNODALE EXHORTATIE SACRAMENTUM CARITATIS ZAL WORDEN GEPRESENTEERD OP 13 MAART !!!

zaterdag 3 maart 2007

Bisschop Schneider: De beklagenswaardige strategie van de handcommunie

[Vertaald uit het Duits, bron: Una Voce Korrespondenz, 37. Jahrgang, Heft 1, Jan./Feb. 2007]

Vooropmerking [van de redactie van de UVK]: In het Tijdschrift “Sapientia Crucis” (Revista Filosofico – Teológica) van het Institutum Sapientiae (Anápolis Brasilien) bevindt zich in nummer 7 (VII-2006) een lezenswaardige bijdrage “Cum Amore et Timore – O modo de distribuir a Sagrada Comunhão” van Athanasius Schneider (blz. 157 – 175) over de onzinnigheid van de handcommunie. Het op een hoog wetenschappelijk niveau staande artikel toont aan de hand van een grote hoeveelheid van citaten uit de bronnen aan, dat het teruggaan van handcommunie op de vroege Kerk onhoudbaar is. Het artikel is in het Portugees verschenen; de geleerde auteur heeft echter op ons verzoek een Duitse samenvatting gemaakt, die wij hier onze lezers voorleggen.
Athanasius Schneider (geboren 1961) is regulierskanonnik van de orde van het Heilige Kruis en een uitstekende kenner van de patristiek: zijn dissertatie (1999 aan het Patristiek Instituut Augustinum in Rome) behandeld de symboliek van de “Herders van Hermas”. Athanasius Scheider werd op 8 april 2006 tot hulpbisschop in Karaganda (Kasachstan, Centraal Azië) benoemd.

Ik ben er steeds meer van overtuigd dat de toestand waarin zich het Allerheiligste van de Kerk, de Eucharistische Heer, bevindt, werkelijk betreurenswaardig is, en dat staat juist in oorzakelijke samenhang met het huidige gebruik van de handcommunie. Naar mijn weten is het op deze schaal nog nooit zo in de geschiedenis van de Kerk geweest.
Het is ook te betreuren dat blijkbaar steeds meer bisschoppen aan deze situatie gewend raken. Aan de andere kant wordt het huidige gebruik van de handcommunie, die zich van het gebruik van de handcommunie in de vroege kerk op wezenlijke punten onderscheid, met een bepaalde strategie wereldwijd gepropageerd. Objectief gezien ontstaat een massieve ontheiliging en banalisering van het Allerheiligste, dat niet zomaar iets is, maar de goddelijke persoon Jezus Christus Zelf, die onder de eucharistische gedaanten werkelijk in Zijn Godheid en Mensheid tegenwoordig is. Daarom is naar mijn mening de toestand, die naar aanleiding van het gebruik van de handcommunie ontstaan is en voortgaat te ontstaan, als wezenlijk ernstiger te beschouwen als het probleem van de hervorming van de ritus van de Heilige Mis. Moge God de bisschoppen doen opwaken en dat zij de eucharistische Heer in de Kerk mogen beginnen te verdedigen, die door de herders van de kerk zelf zo beschermloos in de handen van de mensen werd overgeleverd. Want hier geld .volledig de uitspraak van de apostelen “Dominus est!” (Joh. 21, 7) of van de heilige pastoor van Ars: “Il è lè!”
Uit de volgende woorden van de heilige Johannes Chrysostomus, de doctor eucharisticus, kan men de vrome houding van de patristische tijd (waarop zich de propagandisten van het huidige gebruik van de handcommunie valselijk of tendentieus beroepen) met betrekking tot de uiterlijke en innerlijke houding bij het ontvangen van de Heilige Communie zeer indrukwekkend samengevat zie: “Gij hebt hier [bij de Communie] een veel verhevener teken gekregen als de Joden in het Allerheiligste van de Tempel. In u wonen inderdaad niet de Cherubijnen, maar de Heer van de Serafijnen zelf. Gij hebt niet de ark, niet het manna, niet de stenen tafelen en niet de aäronsstaf, maar het Lichaam en het Bloed van de Heer, de Geest in plaats van de Letter, de Genade, die ieder menselijk denken overstijgt, gij hebt een ondoorgrondelijke Gave” (Hom. In Ps. 133, 2: PG 55, 386). En ergens anders spreekt de heilige kerkleraar tot het geweten van die priesters die lichtvaardig en zonder mensenangst onwaardig het lichaam van de Heer uitdelen: “Zelfs wanneer iemand uit onwetendheid nader komt, zo weiger het hem, wees niet bang. Wees eerder bang voor God, en niet voor de mensen. Ik ben eerder bereid te sterven, dan het Bloed van de Heer op onwaardige wijze uit te delen. Eerder zal ik mijn bloed vergieten, dan het kostbaarste Bloed van de Heer op een Hem onwaardige manier uit delen. Wanneer wij zo handelen, zullen velen het Lichaam van de Heer op een waardige wijze ontvangen en wij vanwege onze zorg om het heil van de ander een groot loon van de Heer ontvangen” (Hom. 82, 6 in Ev. Io: PG 58, 746).
Mooie uitspraken over de Eucharistie zijn vandaag niet voldoende, en nuttig zijn ze ook niet. Als daarom de bisschoppen nu zouden beginnen werkelijke voor de eucharistische Heer heel, heel concreet te zorgen! Zolang de actuele huilenswaardige situatie met de eucharistische Heer voortduurt, en dat voor het grootste deel vanwege het huidige gebruik van de handcommunie, kan het kerkelijke leven niet werkelijk gezond worden. Want het gaat hier eigenlijk niet om een ritusstrijd, maar werkelijk om het hart van de Kerk, om de meest geliefde, allerheiligste Heer zelf: Dominus est!

zaterdag 24 februari 2007

Interview Mgr. Ranjith: “Het is de Heilige Vader die zal beslissen”

Hieronder volgt een vertaling van een recent engelstalig interview uit Inside the Vatican. Het Engelse orgineel is hier te vinden.
"HET IS DE HEILIGE VADER DIE ZAL BESLISSEN"
Iedereen die zich interesseert voor de liturgie van de Kerk vraagt zich af of de paus binnen kort een motu proprio zal uitvaardigen dat de viering van de “Oude Mis” zal toestaan, wanneer hij dat zal doen, en wat erin zal staan. Een van de liturgisten van het Vaticaan laat zijn licht schijnen over de plannen van de paus. ANTHONY VALLE: Uwe Excellentie, sinds uw benoeming als secretaris van de Congregatie voor de Eredienst bent u zeer gul geweest in het geven van interviews over de liturgie aan de internationale pers. Enkele van uw uitspraken zijn verkeerd begrepen en hebben in plaats van tot de bedoelde helderheid tot controverse geleid. Zou u iets willen verduidelijken? AARTSBISSCHOP MALCOM RANJITH: Wat ik in deze interviews wilde benadrukken was dat de post-conciliaire hervorming niet instaat is geweest de verwachte doelen, de spirituele en missionaire hernieuwing van de Kerk, te bereiken, zodat we er vandaag werkelijk blij mee kunnen zijn. Zonder twijfel zijn er ook positieve resultaten; maar de negatieve effecten lijken groter te zijn, en veroorzaken in onze gelederen veel desoriëntatie. De kerken zijn leger, liturgisch ‘freewheelen’ is aan de orde van de dag, en de werkelijke betekenis en het belang van dat wat wordt gevierd wordt verduisterd. Men moet zich dan gaan afvragen of het hervormingsproces in feite juist is uitgevoerd. Daarom moeten we goed bestuderen wat er gebeurd is, bidden en reflecteren over de oorzaken en met de hulp van de Heer overgaan tot de nodige correcties. VALLE: Het schijnt dat Paus Benedictus XVI een motu proprio zal uitvaardigen om het gebruik van de traditionele ofwel ‘Tridentijnse Mis’ te liberaliseren. Sommigen hopen dat het pauselijke motu proprio een juridische structuur in het leven zal roepen om priesters in staat te stellen de Traditionele Mis te celebreren zonder onterecht te worden bestookt en voortdurend te worden tegengewerkt door, ironisch genoeg, niet de anders gelovigen of de seculiere autoriteiten, maar door hun eigen herders en bisschoppen. Is deze hoop op een nieuw juridisch orgaan realistisch? Is een dergelijk orgaan noodzakelijk? RANJITH: Wel, er is een steeds luider wordende roep voor een rehabilitatie van de Tridentijnse Mis. Bovendien hebben zelfs bepaalde belangrijke mensen uit de elite recentelijk in enkele kranten publiekelijk gepleit voor deze Mis. De Heilige Vader zal - daar ben ik zeker van - hier notie van nemen en beslissen wat het beste voor de Kerk is. U spreekt over de mogelijkheid van het in leven roepen van nieuwe juridische structuren voor het implementeren van een dergelijke beslissing. Ik denk niet dat dit het probleem is. Wat belangrijker bij dit alles is, is een pastorale houding. Zullen de bisschoppen en priesters verzoeken om de Tridentijnse Mis afwijzen en daarmee een juridische structuur, die het uitvoeren van een beslissing van de Paus afdwingt, noodzakelijk maken? Ik hoop dat dit niet nodig is! De vraag die de herders zichzelf moeten stellen is: Hoe kan ik als bisschop of als priester zelfs één persoon dichter bij Christus en Zijn Kerk brengen? Het gaat niet zo zeer om de Tridentijnse Mis of de Novus Ordo. Het is alleen een vraag van pastorale verantwoordelijkheid en pastoraal gevoel. Dus wanneer de Tridentijnse Mis de weg opent om een beter niveau van spirituele verrijking van de gelovigen te bereiken, dan behoren de herders haar toe te staan. Het belangrijke aandachtspunt is niet zo zeer het “wat” maar het “hoe”. De Kerk moet altijd proberen de gelovigen te helpen dichter bij de Heer te komen, zich door zijn boodschap uitgedaagd te voelen en ruimhartig Zijn roepstem te beantwoorden. En wanneer dit kan worden bereikt door het celebreren van de Novus Ordo of de Mis van Pius V, wel, dan moet er ruimte worden gemaakt voor dat wat het beste is, in plaats van toe te spitsen op onnodige en verdeeldheid zaaiende theologische haarkloverij. Zulke dingen dienen met het hart te worden besloten en niet zo zeer met het hoofd. Ten slotte heeft Paus Johannes Paulus II in zijn schrijven Ecclesia Dei Adflicta van 1988 de bisschoppen persoonlijk opgeroepen hieromtrent grootmoedig te zijn, grootmoedig ten opzichte van hen die de Tridentijnse Mis wensen te celebreren of bij willen wonen. Daarnaast moeten wij niet vergeten dat de Tridentijnse Mis niet alleen het eigendom is van de volgelingen van aartsbisschop Lefebvre. Het is voor ons, als leden van de Katholieke Kerk, een deel van ons eigen erfgoed. Het Tweede Vaticaans Concilie, zoals paus Benedictus in december 2005 duidelijk heeft gezegd in zijn toespraak voor de leden van de Curie, had geen totaal nieuw begin voor ogen, maar een continuïteit met een hernieuwd enthousiasme en een nieuw gezicht dat beter beantwoordt aan de missionaire noden van de tijd. Daarnaast hebben we het serieuze probleem van het afnemende aantal gelovigen in sommige kerken in de Westerse wereld. We moeten ons vragen wat er in deze kerken gebeurd is en, wanneer het nodig blijkt, corrigerende maatregelen nemen. Ik denk dat deze situatie niet alleen aan de secularisatie te wijten is. Een diepe crisis van het geloof gepaard aan het nastreven van betekenisloze liturgische experimenten en nieuwigheden hebben hierin een rol gespeeld. Er is soms veel formalisme en smakeloosheid zichtbaar. Daarom moeten we een waarachtig gevoel van het heilige en het mystieke in de eredienst herstellen. Wanneer de gelovigen van mening zijn dat de Tridentijnse Mis hen meer dan iets anders dit gevoel geeft van het heilige en mystieke, dan moeten we de moed hebben hun verzoek in te willigen. Over het tijdstip van verschijnen en de aard van het motu proprio is nu nog niets bekend. Het is de Heilige Vader die zal beslissen. En wanneer hij een besluit genomen heeft, dan moeten wij dat allemaal in gehoorzaamheid accepteren, en met een waarachtige liefde voor de Kerk hem proberen te helpen. Elke tegenstrijdige houding zal slechts de spirituele missie van de Kerk schaden en de Wil van de Heer tegenwerken. VALLE: Zoals vandaag de dag zo veel Katholieken, zijn mijn vrouw en ik tot de ontdekking gekomen dat wij de viering van de Novus Ordo Mis op zondag eerder geïrriteerd en verbijsterd verlaten dan spiritueel gesterkt. Hoe komt dat? RANJITH: Bij het celebreren van de Novus Ordo moeten we datgene wat we op het altaar doen erg serieus nemen. Ik kan geen priester zijn die in zijn slaap droomt over wat hij de volgende dag tijdens de Mis gaat doen, naar het altaar te lopen en beginnen aan een viering met allerlei soorten nieuwe zelfgemaakte rubrieken en handelingen. De Heilige Eucharistie is van de Kerk. Daarom heeft zij een eigen betekenis die niet kan worden overgelaten aan de eigenaardigheden van iedere afzonderlijke celebrant. Ieder element in de liturgie van de Kerk heeft zijn eigen lange ontwikkelingsgeschiedenis en betekenis. Het gaat hier zeker niet om private “tradities” en kan dus ook niet het voorwerp van manipulatie door Jan en alleman zijn. In feite zegt Sacrosanctum Concilium dat het naast de Apostolische Stoel en de bisschoppen, waar dit aan de laatsten door de eerste wordt toegestaan, “absoluut niemand anders is toegestaan, zelfs niet een priester, iets op zijn eigen autoriteit toe te voegen of te verwijderen” (SC 22). Ondanks dat zien wij momenteel in bepaalde gebieden van de Kerk veel liturgisch freewheelen, en dat voornamelijk vanwege een foutief verstaan van de liturgische theologie. Het mysterie van de Heilige Eucharistie – bijvoorbeeld - wordt vaak verkeerd of slechts gedeeltelijk begrepen, waardoor de deur open blijft staan voor allerlei soorten liturgische misbruiken. Bij het vieren van de Heilige Eucharistie leggen sommige te veel het accent op de voorgangersrol van de priester. Maar we weten dat de priester in werkelijkheid bij dat wat er op het altaar gebeurd niet de hoofdrolspeler is. Dat is Jezus Zelf. Daarnaast heeft iedere liturgische viering ook een hemelse dimensie “die wordt gevierd in de heilige stad Jeruzalem, waarheen wij als pelgrims op weg zijn” (SC 8). Anderen leggen de Eucharistie uit op een manier waarbij de nadruk wordt gelegd op haar maaltijddimensie; men brengt haar in verband met “communio” (gemeenschap). Dit is ook een belangrijke overweging, maar we mogen niet vergen dat het niet zo zeer gaat om een gemeenschap gevormd door hen die deel nemen aan de Eucharistie maar eerder om een gemeenschap met de Heer Zelf. Door de Eucharistie neemt de Heer ons in Zichzelf op en in Hem worden wij in gemeenschap (communio) geplaatst met al de anderen die zichzelf met Hem verenigen. Het is dus niet zo zeer een sociale ervaring, maar eerder een mystieke. Vandaar dat zelfs de Eucharistie als “communio” een hemelse ervaring is. Wat belangrijker is, is het offerkarakter van de Eucharistie. Telkens wanneer we de Eucharistie vieren herleven wij het offer van Calvarie; wij vieren het als het moment van onze verlossing. En juist dit gegeven geeft vorm aan de unieke waardigheid en bron van identiteit van de priester. Hij werd door Christus ingesteld voor de viering van het wonderbaarlijke mysterie van het veranderen van deze vergankelijke stukjes brood in het werkelijke, verheerlijkte Lichaam van Christus en dit kleine beetje wijn in het Bloed van Christus, tegenwoordigstellend het offer van Calvarie voor het heil van de wereld. En dit moet iedere keer wanneer de priester de Eucharistie celebreert door hem worden geleefd, begrepen en geloofd. In feite legde Sacrosanctum Concilium de nadruk op de offer- en heilseffectiviteit van de Mis. De priester wordt aldus een andere Christus, om het zo te zeggen. Wat een grote roeping! En bijgevolg, wanneer we de Eucharistie devoot celebreren, dan zullen de gelovigen immense spirituele vruchten oogsten en keer op keer blijven terugkeren op zoek naar dat hemelse voedsel. VALLE: Er zijn er die beweren dat de oplossing van de liturgische crisis die de kerk vandaag teistert – en daarmee uiteindelijk ook van de geloofscrisis – bereikt zal worden door een terugkeer naar het exclusieve gebruik van de Tridentijnse Mis, terwijl anderen van mening zijn dat we eigenlijk een “reform of the reform” (hervorming van de hervorming), met andere woorden: een hervorming van de Novus Ordo, nodig hebben. Wat denkt u? RANJITH: Een “of-of” houding zal de Kerk onnodig polariseren, aangezien barmhartigheid en pastorale zorg ook een rol moeten spelen. Wanneer de Heilige Vader het zo wenst, dan kunnen beide naast elkaar bestaan. Dit zou niet betekenen dat we de Novus Ordo afschaffen. Maar door de interactie van de twee Romeinse tradities, is het mogelijk dat zij elkaar uiteindelijk zullen beïnvloeden. We kunnen niet zeggen dat alles helemaal vast staat, dat er niets nieuws kan gebeuren. In feite heeft Vaticanum II nooit gepleit voor onmiddellijke veranderingen in de liturgie. Het gaf eerder de voorkeur aan het “organisch laten groeien uit de bestaande vormen” (SC 23). Zoals kardinaal Antonelli, een uitermate gerespecteerd lid van het Concilium die de herziening van de liturgie na het Concilie ondernam, in zijn dagboeken opmerkt, zijn sommige liturgische veranderingen na het Concilie ondoordacht geïntroduceerd; lukraak, en gemaakt om daarna pas geaccepteerd gebruik te worden. De handcommunie bijvoorbeeld, is niet iets dat eerst voldoende bestudeerd en doordacht was voordat het door de Heilige Stoel werd geaccepteerd. Het werd in bepaalde Noord Europese landen lukraak geïntroduceerd en is daarna een geaccepteerd gebruik geworden om zich uiteindelijk uit te breiden naar andere plaatsen. Nu, dat is een situatie die voorkomen had moeten worden. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft nooit gepleit voor zulk een aanpak van de liturgische hervorming. VALLE: Lex orandi, lex credendi, lex viviendi (“De wet van het gebed (is) de wet van het geloof, (is) de wet van het leven”). Is het waar dat de manier waarop wij de eredienst vorm geven en hoe wij bidden van invloed zijn op wat we geloven, en dat wat we geloven van invloed is op hoe we leven? Met andere woorden: beïnvloedt de liturgie uiteindelijk ons moreel leven? RANJITH: Ja. Hoe zouden wij de gelovigen kunnen overtuigen om offers te brengen aangaande hun ethische en morele meningen, wanneer zij niet eerst ten diepste worden geraakt en geïnspireerd door de genade van God. En zo iets gebeurt met name bij de eredienst, wanneer de menselijke ziel de verlossende genade van Gods het intiemst ondervindt. Door de eredienst wordt het geloof geabsorbeerd en loopt over van inspiratie en kracht, waardoor wij instaat worden gesteld om die morele keuzes te maken die in overeenkomst zijn met het geloof. In de liturgie moeten wij de nabijheid van God in ons hart zo intens ervaren, dat wij op onze beurt vaster gaan geloven en worden gedreven om rechtvaardiger te handelen. VALLE: Wat zijn enkele hedendaagse liturgische trends of problemen die correctie behoeven? RANJITH: Een van deze, zoals ik het zie, is de trend om, in sommige landen, oecumenische liturgieën als vervanging van de Zondagmis te organiseren, gedurende dewelke katholieke lekenleiders en protestantse dominees samen vieren en de laatste worden uitgenodigd om de preek te houden. Zondagse Liturgieën van het Woord met de uitreiking van de Heilige Communie, de vorm die alleen is toegestaan voor gevallen waarbij een priester niet aanwezig kan zijn, worden veranderd in een oecumenisch gebeuren dat aan de gelovigen een verkeerd signaal kan geven. Ze zouden gewend kunnen raken aan het idee van een zondag zonder de Eucharistie. De Eucharistie, zoals u weet, geeft de Kerk vorm (Ed E. 21) en dit staat voor ons katholieken centraal. Wanneer zij zo eenvoudig wordt vervangen door de Liturgie van het Woord, of nog erger door zogenaamde oecumenische gebedsdiensten, dan komt de eigenlijke identiteit van de Katholieke Kerk in het geding. Jammer genoeg horen wij ook van gevallen waarbij de Eucharistie zelf, op verschillende manieren, wordt gevierd tezamen met de protestantse dominees. Dit is helemaal onacceptabel en is een graviora delicta (“ernstiger vergrijp”) (RM 172). Oecumene is niet iets dat mag worden overgelaten aan de ad hoc keuzes van een individuele priester. Ware oecumene, zoals dit werd voorgestaan door Vaticanum II, komt vanuit het hart van de Kerk. De weg van de ware oecumene begint bijvoorbeeld met een serieuze reflectie van hen die als geschikt worden beschouwd om aan dat soort reflectie deel te nemen, zoals de Pauselijke Raad voor de Christelijke Eenheid en de Heilige Vader zelf. Niet iedereen heeft de competentie om te weten wat de manier is hoe deze delicate zoektocht naar eenheid dient te worden ondernomen. Het benodigd veel reflectie en gebed. Daarom behoort men niet op eigen houtje te experimenteren met liturgische nieuwigheden in naam van de oecumene. Een tweede verontrustende trend is het langzaam vervangen van de Mis gecelebreerd door een priester door een para-liturgische dienst geleid door een leek. Dit kan natuurlijk legitiem zijn wanneer er geen priester beschikbaar is en de mogelijkheden om aan de zondagsplicht te voldoen schaars zijn. Echter dit is een uitzondering, niet de regel. Wat gevaarlijk is, is het marginaliseren van de priester, zelfs wanneer hij beschikbaar is, en bepaalde pastorale lekenteams taken op zich nemen die alleen de priester toekomen. Ik bedoel hiermee de trend dat lekenleiders preken in plaats van de priester, zelfs wanneer hij aanwezig is, of de Heilige Communie uitreiken, terwijl de priester bij het altaar niets zit te doen. We moeten hier benadrukken dat, zoals het Tweede Vaticaans Concilie bevestigde, het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap “van elkaar in essentie verschillen en niet alleen in graad” (LG 10). En daarom is het een ernstig misbruik om leken taken die aan de priesters zijn voorbehouden te laten uitvoeren. Wat verkeerd is, is de toenemende wereldwijde tendens om de priesters te laïceren en om de leken te clericaliseren. Dit is ook contra mentem (“in strijd met de gedachte” of “in strijd met de bedoeling”) van het Concilie. Er is ook de toenemende trend om de Zondagsmis naar de zaterdag te verhuizen alsof dit “normaal” zou zijn. De zondag is echter de ware dag van de Heer, en daarom een dag van geestelijke en fysieke rust. Er is een beweging om haar belangrijkheid te verminderen, om haar te maken tot een dag van de wereldlijke afleiding. In Dies Domini, waarschuwde paus Johannes Paulus II tegen deze verontrustende trend. Een laatste punt dat ik hier nog wil noemen heeft betrekking op bepaalde gebruiken die in missiegebieden zijn geïntroduceerd, zoals bijvoorbeeld in Azië, in de naam van verandering, die strijdig is met haar culturele erfgoed. In bepaalde Aziatische landen zien we een trend om het staand op de hand communiceren te introduceren. Dit is niet overeenkomstig de Aziatische cultuur. De boeddhisten gaan tijdens hun eredienst plat op de grond liggen, met hun voorhoofd op de vloer. De moslims trekken hun schoenen uit en wassen hun voeten voordat ze de moskee betreden om te bidden. De hindoes betreden hun tempels met ontbloot bovenlijf als teken van onderwerping. Wanneer mensen de koning van Thailand of de keizer van Japen benaderen, dan doen zij dat op hun knieën als teken van respect. Maar in veel Aziatische landen heeft de Kerk, in plaats van het knielen, het gebruik van een eenvoudige buiging voor het Heilige Sacrament geïntroduceerd, het staan tijdens het ontvangen van de Heilige Communie, en het ontvangen op de hand. En we weten dat deze gebruiken niet kunnen worden beschouwd als overeenkomstig met de Aziatische cultuur. Daarnaast wordt aan de leken, wiens rol in de Kerk is toegenomen, zelfs niets gevraagd wanneer deze beslissingen worden genomen. Al deze zaken voorspellen niets goeds voor de Kerk en we moeten deze trends corrigeren, zodat de Eucharistie die we celebreren wordt, zoals St. Ignatius van Antiochië bevestigt, “medicijn voor onsterfelijkheid en middel tegen dood” (Eph. 20). Anthony Valle is een theoloog en schrijver die in Rome woont.

vrijdag 25 augustus 2006

Preek voor de 10e zondag na Pinksteren

Pater Laurent de Mets Geliefde broeders, Laat me je een vraag stellen: is er iets dat je hebt dat je niet van God hebt gekregen? Omdat jullie allemaal de catechismus kennen, hoor ik al zeggen: “Nee, natuurlijk niet!” Laat me nu een andere vraag stellen: welnu, waarom gedraag je je dan alsof God het je niet had gegeven? Nu zou je me misschien niet begrijpen. Laat me dit daarom verduidelijken. Je hebt alles wat je hebt van God ontvangen. Een ieder van jullie kan een lijst maken met dat wat je hebt gekregen: je leven, je bovennatuurlijk leven, dat wat wij Goddelijke Genade noemen, je natuurlijke gaven en talenten, je echtgenoot, je familie, je huis, je auto, het dagelijks eten enz… Op de een of andere wijze is God de oorsprong van alles wat je hebt, ook wanneer je dit niet altijd in het leven van alledag beseft. We Geloven – het is een Katholieke geloofspunt – dat alles onder Gods bestuur valt. Bijgevolg, wanneer je dit of dat als geschenk van God hebt gekregen, dan is dat niet zomaar, daar is een rede voor. Ten eerste, wat je leven betreft. Je bent niet ontstaan uit puur toeval, maar omdat God dit heeft gewild. Je hebt een bepaalde aanleg of een bepaald handicap niet door louter toeval. Je hebt zelfs geen enkel aards bezit alleen omdat je het verdient of omdat je er voor gewerkt hebt, maar ook omdat God toestaat dat je het hebt. We ontkennen niet het bestaan van secundaire oorzaken en de vrije wil, maar we erkennen simpelweg dat Gods Voorzienigheid een realiteit is, zoals de Kerk ons leert. Nogmaals, alles valt onder Gods bestuur, onder zijn Voorzienigheid. Waarom heb je dan zoveel gaven van God gekregen? Laat mij hierop antwoorden door nog een andere vraag te stellen. Waarom bestaan wij? Omdat je nog steeds je catechismus kent hoor ik je al antwoorden: “omdat God ons heeft geschapen opdat wij Hem aanbidden, Hem dienen en Hem lief hebben.” En hier heb je het antwoord op de vorige vraag. Alles dat je hebt is ter ere van God en ik zou willen toevoegen, niet alleen alles wat je hebt, maar ook alles wat je bent, jouw eigen bestaan. Niets is voor jou! Alles is voor God. Met het oog op de lezingen van vandaag zie ik twee belangrijke lessen die we van deze waarheid kunnen leren. Ten eerste, moeten wij nederig zijn als de tollenaar in het Evangelie. Zonden zijn werkelijk van ons en het ergste is dat wij Gods gaven gebruiken om hem met onze zonden te beledigen. Als je goed doet, zoals de Farizeeër, bedenk dan wel dat het goed dat je doet van God komt en dat dit goed ter ere van Hem is, en niet van ons. De tweede les is dat er absoluut geen rede is om jaloers te zijn op een ander. De gaven, de talenten en de bezittingen die andere hebben zijn ter ere van God. Als zij ze hiertoe gebruiken, dan moeten wij ons verheugen. Als zij dat niet doen, dan moeten wij daar bedroefd over zijn en voor hen bidden. Maar wees ervan verzekerd dat God je geeft wat je nodig heeft. Wanneer Hij je meer geeft, wees dan bedachtzaam en gebruik dit overschot ter ere van Hem. Laat wij ons richten naar Onze Lieve Vrouw en haar vragen ons wijsheid te schenken, zodat we, in nederigheid en dankbaarheid, goed gebruik maken van dat wat ons geschonken wordt. Vertaald uit het Engels Bron: http://defidecatholica.blogspot.com/2006/08/sermon-for-10th-sunday-after-pentecost.html

zaterdag 12 augustus 2006

Preek voor de 6e zondag na Pinksteren

Pater Laurent de Mets

[Omdat de preken van pater Demets niet alleen bij mij in de smaak bleken te vallen hier nog een vertaling.]

Het introïtus van vandaag, ontnomen uit Psalm 28, wil ons geloof en onze hoop sterken. “De Heer is de sterkte van zijn volk en de beschermer van het heil van zijn gezalfde.” Het is voor ons goed, en bemoedigend om de Heilige Schrift te openen en deze verzen, die ons Christelijk leven voeden, te lezen. God is mijn sterkte en de beschermer van mijn heil!

Geliefde broeders, wanneer de twijfel opkomt, wanneer de moed je in de schoenen lijkt te zakken, wanneer je moe bent omdat je zoveel taken te vervullen hebt, wanneer je geen licht meer aan het eind van de tunnel ziet, wanneer je op het punt staat om op te geven en de nederlaag te aanvaarden, is het goed je te herinneren dat Onze Heer Jezus Christus je kracht is. Deze gedachte deed Sint Paulus uitroepen: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?”

Dit vers uit het Epistel aan de Romeinen, dat ik gekozen had voor het gebedsprentje ter herinnering aan mijn priesterwijding, is mij zeer dierbaar – “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?” God is onze sterkte en onze bescherming en niets of niemand kan ons tegenhouden of ons neerhalen als we met God zijn, onder zijn bescherming. Wie is tegen ons? Natuurlijk, door voor God te kiezen, zullen legers van vijanden tegen ons opstaan, maar wat kunnen zij ons doen? Zelfs wanneer zij ons leven nemen, dan zou het ons alleen ten goede komen.

Zo, geliefde broeders, we hebben geen excuus om onze plichten ten opzichte van God, vooral de heiliging van onze ziel, dat werkelijk een plicht is, te verwaarlozen. Verleidingen? Dat is geen excuus. Moeilijkheden. Zij zijn geen excuus. Onze zwakte? Dat is ook geen excuus. Natuurlijk kunnen wel vallen, en God weet hoe zwak het vlees is, maar we kunnen onze plichten niet verwaarlozen en goed uit ons leven verjagen alleen omdat we denken dat wij niet kunnen doen wat Hij van ons verlangt. Wat een misdaad tegenover Hem! Wat een gebrek aan geloof! Wat een schande! Niets kan zo een verzaking rechtvaardigen.

Geliefde broeders, door voor God te kiezen nemen wij niet de makkelijkste weg. Het is weer Sint Paulus die ons vertelt dat wij zijn gedoopt in de dood van Jezus Christus. Wij zijn met Hem begraven. Dit is niet zomaar een beeld, een mooie poëtisch uitgedrukte gedachte. Wij zijn werkelijk dood en begraven met Jezus Christus en met deze waarheid gaan enkele zeer reële verantwoordelijkheden gepaard, die we in een woord kunnen samenvatten: het Kruis!

Het Kruis van Jezus Christus! Wij hangen het graag aan onze muren, dat is leuk, maar gewoonlijk hebben we het niet graag op onze schouders. Maar onze schouders is de meest geschikte plaats voor het kruis. We vinden het leuk om het Kruis te begrijpen en erover te denken, maar wij vinden het niet leuk om haar te dragen. Echter, voordat we een mooi concept hebben om te bregrijpen en over na te denken, zullen we het eerst moeten omarmen en dragen. Het Kruis is onze weg naar verlossingen en de bron van ons leven. Er is geen verlossing en geen leven zonder het Kruis.

Nu komt gewoonlijk het bezwaar: “Maar ik kan dit kruis niet dragen. Het is te zwaar! O God, alstublieft, ik zou graag mijn Kruis met Jezus willen dragen, maar alstublieft, geef mij een ander!”

O mensen van klein geloof! Weet je niet dat God beter weet wat goed voor je is. Weet je niet dat Hij volmaakt wijs is en dat Hij een ieder van ons geeft wat we nodig hebben. Als God jouw dit kruis geeft en niet een ander, dan is dat omdat dit het perfecte kruis voor jou is. En wees ervan verzekerd, Hij zal je de kracht geven om het te dragen.

“De Heer is de sterkte van zijn volk en de beschermer van het heil van zijn gezalfde.” Waar zal je de Heer vinden? Waar zal je de kracht en de bescherming vinden die Hij ons beloofd? Hier op deze plaats, aan het altaar, in het Sacrament van de Eucharistie. Luister naar Jezus: “Als Ik hen zo naar huis laat gaan, zonder dat zij gegeten hebben, zullen zij onderweg bezwijken; want sommigen zijn van verre gekomen.” Ons huis is de hemel en is ver van hier. God weet dat en geeft ons het voedsel dat ons sterk genoeg maakt om in staat te zijn ons eeuwige thuis te bereiken. Paus Sint Pius X, nadat hij de Jansenistische dwaling, die dit ontkende, veroordeelde, leert dat Onze Lieve Heer van ons verlangt dat wij Hem dagelijks in het Sacrament van het altaar ontvangen. Dit vrome gebruik versterkt de band met Onze Lieve Heer en is de beste manier om onze ziel in een staat van genade te houden.

Geliefde broeders, de Heer is onze sterkte en ik hoop dat jullie niet zo dom zijn om hem af te wijzen. Het feit is dat zonder Hem jullie telkens weer in doodzonde zullen vervallen. Maar God geeft jou de middelen om je ziel in een staat van genade te houden. Beledig hem niet door Zijn genadegaven af te wijzen. Moge Onze Lieve Vrouw ons leiden naar het altaar en ons helpen met de voorbereiding op de ontvangst van de Heilige Communie. Dat is al het vroege begin van de Hemel.

Vertaald uit het Engels Bron: http://defidecatholica.blogspot.com/2006/07/lord-is-strength-of-his-people-and.html

zaterdag 8 juli 2006

De liturgische hervorming van Vaticanum II is nooit van de grond gekomen

Interview met Malcolm Ranjith, secretaris van de congregatie voor de eredienst.

Q: De indruk wordt gewekt dat de liturgie voor Benedictus XVI een grote prioriteit heeft.

A: Dat klopt. Wanneer wij terug kijken op ontwikkeling van de liturgie gedurende de afgelopen jaren, zien wij hoe belangrijk het luisteren naar God en het in aanraking komen met het trancendente is. De Kerk is zich altijd bewust geweest dat haar liturgisch leven naar God gericht moet zijn, en een diepe mystieke atmosfeer met zich mee moet brengen. Nu, sinds een aantal jaren is het de tendens geweest om dit te vergeten, en daarvoor in de plaats te stellen de geest van algehele vrijheid, die alles open laat voor een ongefundeerde en oppervlakkige creativiteit.

V: Is de liturgie een onderwerp van controverse, van debat binnen de kerk geworden, ja zelf een factor van serieuze verdeeldheid?

A: Ik denk dat dit een puur Westers fenomeen is. Secularisate heeft in het Westen geleid tot een diepe kloof tussen hen die zijn gevlucht in mysticisme, en het leven vergeten, en hen die de liturgie trivialiseren, haar beroven van haar rol als bemiddelaar van het trancendente. In Azie – bijvoorbeeld in Sri Lanka, mijn eigen land – is iedereen, onafhankelijk welke godsdienst zij aanhangen, zich er terdege van bewust dat de mens aangetrokken moet worden door het transcendente. En dit behoort ook te worden weerspiegeld in het leven van alledag. Ik denk niet dat het gevoel voor het goddelijke moet worden verlaagd tot het menselijke niveau, maar dat de mens behoort te worden verhoogd naar het bovennatuurlijke niveau, waar hij tot het goddelijke mysterie kan naderen. Nu, de verleiding om het goddelijke mysterie de les te lezen, om haar onder controle te krijgen, is sterk in een maatschappij die de mens vergoddelijkt, zoals de Westerse maatschappij doet. Geloof is een gave: liturgie wordt niet bepaald door de mens, maar door dat wat God doet ontstaan. Het veronderstelt een houding van aanbidding van God de schepper.

Q: Denkt u dat de conciliaire hervorming te ver ging?

A: Het is niet een vraag van anti-conciliar of na-conciliar, conservatief of progressief zijn! Ik denk dat de liturgische herovmring van Vaticanum II zelfs nooit van de grond is gekomen. Bovendien begon deze liturgische hervorming niet met Vaticanum II: in werkelijk gaat zij het Concilie vooraf, is zijn ontstaan in de Liturgische Beweging aan het begin van de 20ste eeuw. Als men zich houdt aan dat wat het Tweede Vaticaan Concilie in de constitutie Sacrosanctum Concilium zegt, gaat het er om de liturgie tot de toegangsweg tot het geloof, en de veranderingen werden verondersteld op een orgnaische manier voort te komen, steeds kijkend naar de traditie en niet en niet lukraak. Er zijn veel tendensen geweest die hebben de autenthieke betekenis van de liturgie uit het oog hebben verloren. Men zou kunnen zeggen dat de richting van het liturgische gebed in de postconciliare hervorming niet altijd de reflectie van de documenten van Vaticanum II is geweest, en in deze zin, zou men kunnen spreken van een noodzakelijk correctie, een hervorming van de hervorming. De liturgie moet weer teruggewonnen worden, in de geest van het Concilie.

Q: Door welke concrete maatregelen?

A: Vandaag de dag, centreren de problemen van de liturgie zich rond de taal (volkstaal of latijn) en de positie van depriester, of hij gericht is op de gemeente of op God. Ik zal u hier verrassen: nergens in het conciliaire decreet wordt er gezegd dat de priest gericht moet zijn op de gemeente, evenmin dat het gebruik van het Latijn verboden is! Wanneer het gebruik van de volkstaal wordt toegestaan, met name in de liturgie van het Woord, is het decreet erg duidelijk dat in de Latijnse ritus het gebruik van de Latijnse taal behouden moet blijven. We wachten op de paus om richtlijnen te geven aangaande deze onderwerpen.

V: En voor hen die volgden, met een groot gevoel voor gehoorzaamheid, de na-concilaire hervormingen – moet hen worden verteld dat zij het fout hadden?

A. Nee, dit behoort geen ideologisch probleem te worden. Mij is opgevallen hoe veel jonge priester hier [Frankrijk] graag de Tridentijnse ritus celebreren. Het moet verduidelijk worden dat deze ritus, volgens het missal van Pius V, niet verboden is. Moet haar gebruik zelf meer worden bevorderd? Dat is aan de paus om te beslissen. Maar het is zeker dat een nieuwe generatie op zoek is naar een grotere gerichtheid op het mysterie. Dit is niet een vraag van vorm, maar van substantie. Om van liturgie te spreken, wat noodzakelijk is, is niet een wetenschappelijke of histisch-theologische geest alleen, maar bovenal een houding van meditatie, gebed en stilte. Eens temeer, dit is niet een vraag van het zijn van progressief of conservatief, maar eenvoudig van het toestaan van de mens om te bidden, te luisteren naar de stem van God. Wat gebeurd in de viering van de Glorie van God is niet een louter menselijke realiteit. Wanneer men dit mystieke aspect vergeet, alles raakt door elkaar en verward. Wanneer de liturgie haar mystieke en hemelse dimensie verliest, wie blijft er dan over om de mens te helpen zichzelf te bevrijden van het egoïsme en de eigenwaan? De liturgie moet boven alles een weg naar de vrijheid zijn, voor de mens een deur naar het oneindige.

Vertaald uit het Engels. Bron: http://thenewliturgicalmovement.blogspot.com

donderdag 6 juli 2006

Tu es Petrus...

...Et super hanc petram

aedificabo

Ecclesiam meam.

Pater Laurent Demets FSSP

“Wie is de Mensenzoon?” Toen Jezus deze vraag stelde was dit niet de eerste keer dat hij de uitdrukking “Mensenzoon” gebruikte. Desondanks riep hij bij velen vragen op. Sommigen dachten dat de Mensenzoon Johannes de Doper was; anderen dat Hij Elias was, en nog anderen dat Hij Jeremiah of een van de andere profeten was. Niemand onder hen beleed dat Hij de Messias, de Zoon van God, was. Veel Joden zagen in Jezus een buitengewoon mens, maar zij beleden zijn goddelijkheid niet.

Deze fout is vandaag de dag nog steeds relevant. De meerderheid van de mensen geloven in Jezus, of ten minste in een bepaalde Jezus, maar velen van hen geloven niet dat Hij God is. Hun geloof zou best wel een weg naar het Geloof kunnen zijn, maar het is het Geloof nog niet en als zodanig is zij nutteloos voor het eeuwige leven. Voor sommigen is Jezus een groot mens, misschien wel de grootste mens uit de geschiedenis. Voor anderen was hij alleen maar een avatar van het goddelijke, net zoals bijvoorbeeld Buddha of Krishna. Maar Hij was niet de Zoon van God die in de wereld is gekomen om ons te verlossen. Zij herkennen deze waarheid niet als noodzakelijk voor hun verlossing.

Maar wie zegt gij dat ik ben?” Welnu, dit is de vraag die aan jou wordt gesteld. Realiseer je goed, de priester stelde deze vraag eens aan jou; op de dag van je doopsel. “Gelooft gij in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, Onze Heer, die in deze wereld is geboren en die heeft geleden?” Geloof jij dat Jezus Christus de Zoon van God is, God Zelf en jouw enige Verlosser? Het antwoord is ja of nee. Hetzij je gelooft dit, of je gelooft dit niet, en het feit dat je gelooft of niet zal je gehele leven en vooral je eeuwigheid bepalen. De woorden van Jezus zijn duidelijk en definitief: “Hij die geloofd en gedoopt is, zal worden gered: maar hij die niet geloofd zal verloren gaan.”

Deze woorden schijnen hard aan te komen, vooral vandaag in een wereld van relativisme die, in naam van de rede, niets wil weten van het begrip waarheid, zelfs al is de waarheid precies het onderwerp van de rede. Eens heeft Jezus gevraagd om een oefening van Geloof in de Eucharistie. Hij zei: “Want mijn vlees is waarlijk spijs: en mijn bloed is waarlijk drank. Hij die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem”. Maar de rede, in opstand gekomen tegen dat wat zij niet kan begrijpen, riep uit: “Deze rede is hard, wie kan dezelfe horen?” Toen richtte Onze Lieve Heer zich naar de twaalf, en verwachte van hen het juiste geloofsantwoord. Deze kwam uit de mond van Simon-Petrus: “Heer naar wie zullen wij gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en hebben geweten, dat gij zijt de Christus, de Zoon van God.” Dit was de geloofsbelijdenis van Capharnaum.

Vandaag stelt Jezus een andere vraag. “Maar wie zegt gij dat ik ben?” En opnieuw komt het antwoord van Simon-Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Dit is de geloofsbelijdenis van Caesarea.

Petrus weet dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Deze kennis komt van God, niet van vlees en bloed. De rede kan niet zelfstandig tot deze waarheid komen. Wij kunnen de goddelijkheid van Jezus Christus alleen door het geloof belijden! “Gezegend zijt gij, Simon Bar-Jona: want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is!” Gezegend hij die dit gelooft! Gezegend hij die het Geloof heeft!

Direct na deze geloofsbelijdenis stelde Onze Lieve Heer Simon aan als de rots waarop Hij Zijn kerk zou bouwen. Simon werd Petrus, dat in het Hebreeuws – Kephas – rots betekend en Christus beloofd hem de sleutels van het hemelse koninkrijk met de macht te binden en te ontbinden. In andere woorden, en dit is niet moeilijk te begrijpen, Petrus werd aangesteld als leider en hoofd van de Kerk. Zijn taak is hoofdzakelijk en essentieel een pastorale taak, dat betekent Petrus moet zijn kudde beschermen en verdedigen en haar leiden naar de eeuwige weiden. Het woord “pastoraal” is in de afgelopen decennia te vaak gebruikt ten koste van het woord “dogmatisch”. Dit is onzin want ‘pastoraal’ en ‘dogmatisch’ zijn geen tegengestelden, zij sluiten elkaar niet uit, integendeel: ze veronderstellen elkaar. Petrus, die de universele herder van de kudde is, is ook de behouder en verdediger van het Geloof, want zonder Geloof gaat de kudde verloren. Dogma’s zijn niets anders dan Geloof uitgedrukt in menselijke woorden en een poging om, voor zover wij dat kunnen, het geheim van God te begrijpen.

“Weid mijne schapen!” De schapen van Jezus Christus hebben substantieel voedsel en melk van een goede doctrine nodig. Deze worden ons gegeven door de Kerk, door de Sacramenten en haar onderwijzing. Petrus is het hoofd van de Kerk. Als zodanig moeten de Sacramenten in eenheid met hem worden voltrokken en gecelebreerd; en hij staat borg voor het leergezag.

Laat ons bidden tot Sint Petrus, hoofd van de Apostelen, en voor zijn opvolger, Paus Benedictus XVI. Laat ons deze week bidden voor ons Generaal Kapittel, en ook voor het Generaal Kapittel van het Broederschap van Sint Pius X.

Moge onze Moeder, Koningin van de Apostelen, Petrus helpen bij zijn taak, voor de hoogste glorie van God en het welzijn van alle gelovigen… opdat er moge zijn één kudde en één herder.

Vertaald uit het Engels. Bron: http://defidecatholica.blogspot.com/2006/07/tu-es-petrus.html